Categoriearchief: historie

De tram naar Oudwijk

Eind 19de eeuw breidde de stad uit buiten de singels. Toenmalig Burgemeester Reiger wilde nieuwe woonbuurten als Oudwijk verbinden met de oude binnenstad, liefst met een elektrische tram, die sneller, schoner en stipter was dan de paardentram.

Op 15 juni 1907 vertrok tramlijn 2 vanaf het stationsplein met bestemming Oudwijk. Via de singel, Maliebaan, Baanstraat (in 1911 hernoemd tot Burgemeester Reigerstraat) en vervolgens linksaf de huidige Van Limburg Stirumstraat, bereikte de tram het keerpunt Museumbrug. Een enkeltje kostte 5 cent, in de avond gold dubbel tarief.

Populair gezinsuitje
Toen de Burgemeester Reigerstraat werd doorgetrokken richting het Wilhelminapark, kon het trambedrijf in 1915 ook de snelgroeiende Schildersbuurt aandoen. De tram reed voortaan via de Koningslaan rechtsom het Wilhelminapark, en vervolgens over de Colignybrug, Rembrandtkade, Prins Hendriklaan (halte Antonius Gasthuis) en Stadhouderslaan richting keerpunt Museumbrug. Door deze extra slinger rond het park groeide lijn 2 uit tot een populair gezinsuitje. In de weekenden puilden de rijtuigen uit. Kassa voor het trambedrijf!

Laatste ronde
Met de opkomst van de lijnbussen eind jaren twintig braken de magere jaren aan voor de tram. Zelfs een aftakking via de Adriaen van Ostadelaan langs het nieuwe Diakonessenhuis mocht niet baten: op 30 september 1938 reed de tram zijn laatste rondje Oost.

[i] Bron: De tram in Utrecht, Dr. A. van Hulzen (uitgeverij Matrijs)

Tramlijn 2 reed in de jaren 30 door de Stadhouderslaan – Het Utrechts Archief

Rietveld Schröderhuis

In 1924 vraagt Truus Schröder meubelontwerper en buurtgenoot Gerrit Rietveld of hij haar nieuwe woonhuis aan de Prins Hendriklaan wil ontwerpen. De moeder van drie kinderen is net weduwe geworden en wil een huis dat helemaal voldoet aan haar eigenzinnige woonideeën. Inmiddels is het een UNESCO werelderfgoed.

In Stijl gebouwd
In die tijd maakt Rietveld vooral meubels zoals zijn beroemde Rood-blauwe stoel uit 1919. Hij had een werkplaats aan de Adriaen van Ostadelaan. Een compleet woonhuis heeft hij nog niet eerder mogen ontwerpen. Hij maakt helemaal in stijl van De Stijl, een kunststroming vernoemd naar het in 1917 opgerichte gelijknamige tijdschrift over moderne kunst. Kenmerkend in het woningontwerp zijn de vloeiende overgangen tussen binnen en buiten en de strakke horizontale en verticale lijnen. En natuurlijk het gebruik van alleen primaire kleuren, naast wit grijs en zwart.

Polderzicht
Het Rietveld Schröderhuis staat staat in 1924 nog aan de rand van Utrecht: aan de overkant is niets anders dan een uitgestrekt polderlandschap, de Johannapolder. Het prachtige uitzicht speelt een belangrijke rol in het ontwerp. Zelfs zo belangrijk, dat Truus Schröder begin jaren ’30 de grond tegenover het huis koopt als dat vrijkomt voor bebouwing. Rietveld en Schröder ontwerpen daarvoor de twee huizenblokken die later de Erasmuslaan vormen.

Waterlinieweg, uitzicht weg
Als in de jaren ’60 een vierbaans autoweg (de latere Waterlinieweg) en een viaduct in de voortuin gebouwd worden, mag het huis wat Rietveld betreft net zo goed afgebroken worden. De verbinding tussen binnen en buiten is volgens hem nu helemaal verdwenen.

Gerrit en Truus samen
Truus Schröder woont van 1925 tot haar dood in 1985 in het huis. Eerst met haar drie kinderen, later met Gerrit Rietveld samen. Rietveld krijgt een eigen atelier op de benedenverdieping, waar hij werkt aan nieuwe ontwerpen. Als zijn eerste vrouw in 1957 overlijdt, trekt Rietveld bij zijn vriendin Truus in en woont er tot aan zijn dood in 1964.

Locatie: Prins Hendriklaan

RietveldSchröderhuis in 1925

Verzetsvrouw Truus van Lier

Truus van Lier (1921-1943) schoot op 3 september 1943 de hoofdcommissaris van politie Gerard Kerlen dood die op het punt stond een grote groep Utrechtse joden en verzetsmensen op te pakken. Niet veel later werd de jonge rechtenstudent verraden en voor het vuurpeloton gezet.

Opgegroeid in Oost
Geertruida (Truus) van Lier groeide op in het huis naast het RietveldSchröderhuis waar nu het ticketoffice van het Centraal Museum in zit. Na haar schooltijd aan het Christelijk Lyceum in Zeist ging ze rechten studeren in Utrecht. Via haar studentenvereniging UVSV (door de bezetter aangemerkt als verboden organisatie) werd ze lid van de Amsterdams verzetsgroep CS-6. Die vervoerde in het geheim wapens, deed undercover operaties, bracht onderduikers in veiligheid en voerde aanslagen en liquidaties uit.

Aanslag op politiechef
Op 3 september liep ze vlakbij de Catherijnesingel de Utrechtse hoofdcommissaris van politie en NSB-er Gerard Kerlen tegemoet, en schoot hem dood. Met de aanslag wilde ze voorkomen dat Kerlen, die bekend stond als fanatiek jodenjager, nog meer onderduikers zou laten oppakken. Na de aanslag vluchtte ze, dook onder in Haarlem, maar werd – met een prijs van maar liefst 10.000 gulden op haar hoofd – al snel verraden door Irma Seelig die (letterlijk) in de tang zat van de Duitse Sicherheitsdienst. Truus werd overgebracht naar de gevangenis aan de Gansstraat. Omdat de bezetter uit angst voor opstand geen vrouwen op Nederlandse bodem wilde fusilleren, werd voor haar – zo stond in een persbericht – een ‘passende oplossing’ bedacht: op 27 oktober werd ze in Duitse kamp Sachsenhausen terechtgesteld.

Biografie
Schrijver (en buurtgenoot) Jessica van Geel schreef in 2022 een boek over de dappere verzetsvrouw die opgroeide in Oost. In 2018 publiceerde ze al een biografie over Truus Schröder, eigenaar van het RietveldSchröderhuis en destijds de buurvrouw van Truus van Lier. “Het was in de oorlog zeldzaam dat vrouwen het gewapende verzet ingingen. Veel mensen kennen het verhaal van verzetsstrijder Hannie Schaft door de film en het boek. Maar we weten nu dat Truus van Lier haar aanslag pleegde vóórdat Hannie Schaft de wapens trok. Misschien was ze wel de eerste vrouw die in haar eentje een liquidatie uitvoerde.”

Gedenksteen en struikelsteen
Burgemeester Sharon Dijksma onthulde op 22 april 2021 een gedenkbord bij het geboortehuis, honderd jaar na de geboorte van Truus van Lier. “Een vrouw met ballen”, zo sprak ze in haar toespraak. In de stoep voor het huis werd door achterneef Hans van Lier ook een Stolperstein (struikelsteen) gelegd als onderdeel van het wereldwijde gedenkmonument van kunstenaar Gunter Demnig.

Audiotour
De verhalen van Truus en haar nichtje Trui, ook actief in het verzet (ze runde o.a. de crèche Kindjeshaven verderop aan de Prins Hendriklaan 4), inspireerde theatermaker Frédérique Donker om een audiotour te maken langs de plekken in Utrecht die herinneren aan hun verzetsdaden. De wandelroute is ongeveer 4 km lang. Startpunt is het gedenkbord van Truus naast het Rietveld-Schröderhuis, eindpunt het narcissenmonument langs de Catherijnesingel.

Het Witte Dorp

Sterrenwijk was oorspronkelijk een woningwetwijk uit het begin van de 20e eeuw, ingesloten tussen de Oosterspoorbaan, de Kromme Rijn en de Abstederdijk. De 375 witte noodwoningen, gebouwd vanaf 1918, hadden door de snelbouw (door ongeschoolde arbeidskrachten) en gebruik van lichte materialen als drijfsteen slechts een beoogde levensduur van vijfentwintig jaar. De karakteristieke witte noodwoningen verkeerden na de tweede wereldoorlog dan ook in bouw- en woontechnisch opzicht in zeer slechte staat. Ze waren zeer gehorig, de muren zaten vol scheuren en optrekkend vocht was een probleem. De sfeer was er echter niet minder om, oude Sterrenwijkers denken met weemoed terug aan die tijd van saamhorigheid en gezelligheid.

Sanering
In de jaren ’70 werd Sterrenwijk aangewezen als herstructureringswijk en in 1976 gingen de witte huizen tegen de vlakte. De huidige structuur van woonerven rondom het Mercatorplein stamt uit die tijd.

Buurt: Sterrenwijk | kaart
Foto: Het Witte Dorp vóór de sloop in 1975 – Het Utrechts Archief

Hieronder unieke filmbeelden van de nieuwbouw van Sterrenwijk eind jaren 70.
Bron: Het Utrechts Archief

Maliebaan

In maart 1636 werd de Utrechtse Illustere School verheven tot academie en was de oprichting van de Universiteit Utrecht een feit. De universiteit ging destijds, volgens het universiteitsmuseum, van start met vier faculteiten (een voorbereidende filosofische faculteit, theologie, rechten en geneeskunde), zeven hoogleraren en ‘slechts enkele studenten’. Om hoeveel studenten het precies ging, is niet bekend. 

Ontspanning voor studenten
Om de studenten van het allereerste uur enige ontspanning en vertier te bieden, besloot de Vroedschap – zeg maar de voorloper van het college van b & w – in 1637 tot de aanleg van een maliebaan: Goetgevonden tot cieraet van deselve hare Stadt, alsmede tot exercitie ende vermaeck van hare inwoonders ende die geene, dewelcke de academie alhier frequenteren te doen maecken den Maillebaen.
Inderdaad, Maillebaan. Want paille maille was een ander woord voor maliespel: in zo min mogelijk beurten een houten bal, de paille, met een soort slaghout van a naar b zien te krijgen. Deze houten stok werd een maille genoemd. Hij was voorzien van een fluwelen handvat en een houten kop. Het spel was afkomstig uit Frankrijk en was behoorlijk populair bij de gegoede burgerij.

Buiten de stadswal
Om inspiratie op te doen voor de aanleg van een baan, en wat daar allemaal bij kwam kijken, brachten leden van het Utrechtse stadsbestuur een bezoek aan een maliebaan in Den Haag. Ook Amsterdam, Leiden en Breda hadden al een maliebaan aangelegd.
Binnen de stadsmuren van Utrecht was geen ruimte voor een lange baan, daarom werd besloten deze buiten de stadswal aan te leggen. Utrecht besloot het groots aan te pakken. De maillebaan kwam te liggen in het Oudwijkerveld, het gebied rondom het voormalige klooster Oudwijk. De baan was circa 740 meter lang. Het startpunt van de baan bevond zich net buiten de singel, ter hoogte van het bolwerk Lepelenburg. Het eindpunt lag bij een oude Vechtloop, iets ten zuiden van de Biltstraat.

Herberg Het Gulden Vlies
Het speelveld werd omgeven met een lange schutting. Zowel het start- als eindpunt werd gemarkeerd door palen. Op de houten schotten werden de afstanden aangegeven. Het speelveld zelf werd bedekt met gemalen schelpen. Om de maliebaan een voornaam aanzien te geven, werden aan weerszijden van de baan liefst vier rijen bomen geplant: zeshonderd populieren en twaalfhonderd linden. De bomen gaven de Maliebaan niet alleen een groen karakter, maar boden de spelers van het maliespel ook bescherming tegen regen en wind.
De gemeente kocht bovendien de nabijgelegen herberg Het Gulden Vlies aan. Het pand werd verbouwd tot maliehuis, waar materiaal voor het spel kon worden gehuurd en opgeslagen. Ook konden spelers hier terecht voor een drankje. Een aangestelde maliemeester werd belast met het toezicht en onderhoud van de baan.

Einde oefening
De omgeving van de baan trok steeds meer burgers die aan de wandel waren, om naar de spelende studenten te kijken. Ook werd er af en toe met paard of koets over de baan gereden. Het onderhoud van de baan bleek een voortdurende bron van zorg voor het stadsbestuur. Vuil en afval werden op de baan gedeponeerd, bomen raakten beschadigd en delen van de houten schuttingen werden gesloopt. Ruiters en koetsen reden de baan stuk, waardoor deze in een modderpoel veranderde.
Het maliespel verloor in de loop van de zeventiende eeuw aan populariteit. Om het spel nieuw leven in te blazen werd de baan een paar honderd meter langer gemaakt, maar in 1796 was het einde oefening, toen de houten schotten en palen werden verwijderd.

Bron: Jeroen Kreule in AD/UN 13-02-22

Buurt: Buiten Wittevrouwen | kaart

Foto’s: Ingekleurde prent van Jan van Vianen 1685 en tekening van Herman Saftleven uit 1660 – Het Utrechts Archief

De Emmakliniek aan het park

Internist Lichtenbelt stichtte in 1913 de Emmakliniek aan de Emmalaan 41. Drie jaar later verhuisde hij met de hele praktijk naar de Koningslaan. Het privéziekenhuis was er vooral voor de bewoners van de buurt Wilhelminapark en bood ruimte aan 30 patiënten.

Winstdeling
De kliniek was in veel opzichten vooruitstrevend en uniek. Ze had geen (Katholieke) geloofsovertuiging, beschikte wél over een eigen ziekenauto, had centrale verwarming, een lift en een dakterras (met uitzicht). In de statuten was vastgelegd dat 20% van de winst voor de verpleegsters was. Die woonden intern op de zolderverdieping.

Dakterras met uitzicht
Het pand kreeg de uitstraling van duur hotel met luxe lobby, veel lambrisering, marmer en tapijten, en voor de eerste klas patiënten een eigen salon en suite. Zelfs tweede klasse patiënten hadden een eigen kamer. Met de lift konden patiënten en bezoekers naar het dakterras waar ze in rieten (strand)stoelen konden uitkijken over de hoveniersgronden aan de achterkant (waar nu Rembrandtkade loopt) en het Wilhelminapark aan de voorkant.

Sloop na brand
In de loop der jaren legde de Emmakliniek zich toe op kraamzorg en gyneacologie. In 1950 ging ze samenwerken met het Diakonessenhuis, totdat de laatste op eigen terrein een kraamkliniek bouwde. Toen was de Emmakliniek overbodig. Het plan was om het pand te herbestemmen voor appartementen, maar door brand in 1979 ging dat plan niet door en werden de restanten gesloopt. Pas in de jaren 90 kwamen op het braakliggende perceel zeven stadsvilla’s.

Buurt: Wilhelminapark | kaart

Foto’s: De Emmakliniek aan het Wilhelminapark in 1917 met eigen ziekenauto en vier foto’s uit 1915 – Het Utrechts Archief

Luchtfoto omstreeks 1930

De straat van burgemeester Reiger

De naamgever van de Burgemeester Reigerstraat kreeg in 1909 kort na zijn overlijden een borstbeeld aan de Maliebaan. Bernardus Reiger werd in 1845 geboren in Groningen, begon als ondernemer (hij was firmant in een beetwortelsuikerfabriek), kwam in 1877 in de Utrechtse gemeenteraad, om in 1891 benoemd te worden tot burgemeester, de functie die hij tot aan zijn dood bekleedde.

Parken, trams en armenzorg
In die tijd breidde de stad uit buiten de singel en kwam met name Utrecht-Oost, tot dan toe voornamelijk hoveniersgebied, tot ontwikkeling. Bernardus was nauw betrokken bij de aanleg van parken, een elektriciteitscentrale en een tramnetwerk (ook in Oost). Ook zorgde hij dat veel huizen (ook van de ‘kleine man’) een gasaansluiting kregen. Hij wordt geroemd als bekwaam bestuurder en een man van groot gewicht (ook letterlijk) die zich als liberaal politicus niet alleen inzette voor het bedrijfsleven maar ook voor bijvoorbeeld de armenzorg.

Burgemeester Reigerstraat
De aanleg van de Oosterspoorlijn in 1874 doorsneed de Baanstegen die haaks op de Maliebaan het hoveniersgebied inliepen. De derde Baansteeg kreeg een spoorwegovergang. Onder de rooilijnverordening werd de Derde Baansteeg in 1909 verbreed, verhard en in 1911 als hommage aan Bernardus hernoemd tot Burgemeester Reigerstraat.

Buurt: Maliebaan | kaart
Foto: Borstbeeld Burgemeester Bernardus Reiger – Het Utrechts Archief omstreeks 1915

Baanstraat in 1910

Schrijver C.C.S. Crone

‘en hoe verder hij ging, des te langer was zijn terugweg’, zo staat te lezen bij de ingang van het Centraal Station (jaarbeurszijde). Frequente treinreizigers kunnen deze bekende regel van de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951) wel dromen. Het is een citaat uit zijn boek ‘Het Feestelijk Leven’ uit 1939. De Utrechter Crone kwam weliswaar ter wereld in de binnenstad (voor zijn geboortehuis aan het Oudkerkhof ligt een steen met ‘Utrecht, stad van zachte idioten, ik werd er zelf geboren’), maar hij groeide op in Oudwijk en schreef daar zijn belangrijkste werken.

Bonifant
Als leerling van het gymnasium van het Bonifatius College (destijds als lyceum nog gevestigd aan de Kromme Nieuwegracht) schreef hij geregeld in de schoolkrant. Hij verliet de school zonder diploma om zich te wijden aan het schrijverschap. In 1936 publiceerde hij de novelle ‘Gymnasium & Liefde’ over het leven op en rond de school. Biograaf Marijke van Doorn schreef in het decembernummer van de Oud-Utrecht (2014) een artikel over de Bonifant C.C.S. Crone.

Straatbeeld
Crone was een fervent wandelaar. Hij slenterde dagelijks door de stad, observeerde het dagelijkse leven en schreef daarover. De Nescio van Utrecht. In zijn novelle ‘Muziek over water’ uit 1940 komen veel namen voor van straten, stegen, parken en plantsoenen in Oost. Utrecht was vóór de oorlog een andere stad dan nu, maar het straatbeeld dat hij beschrijft kun je als bewoner van Oost met enige fantasie voor de geest halen. Ze liepen naar het Wilhelminapark. Daar sproeide de fontein. De zon gaf aan de druppeltjes de kleuren van de regenboog. (Citaat uit Muziek over het water, 1940).

Eeuwig leven
Zijn oeuvre bleef beperkt, want hij overleed vrij plots aan kinderverlamming, slechts 36 jaar oud. Gelukkig blijft zijn werk, zoals hij dat zelf kort voor zijn dood al voorzag, levend in meerdere citaten en dichtregels op de gevels van de stad. Ook een attentiesteen op de stoep voor de Van der Duijnstraat 2 (achter de Burgemeester Reigerstraat in Oudwijk), waar de schrijver tussen 1929 en 1943 met zijn ouders en tien broers en zussen woonde, is een blijvende herinnering.

Met dank aan Crone-kenner (en buurtgenoot) Marijke van Dorst. Zij selecteerde niet eerder gepubliceerde teksten van Crone uit met name de oude Boni schoolkranten die als boekje met de titel ‘Alweer regen’ verkrijgbaar is bij Statenhofpers in Den Haag.

De attentiesteen bij de Van der Duijnstraat 2 (Oudwijk)

Leerlooierij Wessels & Zonen

Het Minstroomgebied was voornamelijk bekend vanwege de vele hoveniers. Minder bekend is dat hier sinds de zestiende eeuw ook veel leerlooiers zaten. Voor het bewerken van dierenhuiden hadden ze immers veel water nodig dat ze uit de Minstroom haalden. De Looierstraat herinnert aan deze periode, net als de Looierbrug over de Minstroom, aan de Tolsteegsingel. Op de fotolitho staat rechtsonder, op de rechteroever van de Minstroom, de voormalige directeurswoning van Leerlooierij Wessels. Het is een imposante, neoklassieke villa die rond 1860 is gebouwd, en nog altijd als kantoorruimte in gebruik is. 

Eigen winkels
Wessels had ook eigen winkels: niet alleen in Utrecht (Wed 2), maar ook in Amsterdam en Tilburg. In het najaar van 1917 stond een bijzondere advertentie van deze firma in het Utrechtsch Nieuwsblad: ‘Steun de Nationale Industrie!’, staat er boven. Met daaronder, in grote letters ‘St. Nicolaas-Cadeaux’, ‘In onze winkels vindt U een uitgezochte sorteering nuttige en fraaie artikelen, geschikt voor St. Nicolaas-Cadeaux’. Denk aan: ‘portemonnaies, sigarenkokers, boordendoozen, manchettendoozen, reisrollen, ceintuurs, schooltasschen en toilet-koffers.’ 

Van Strosteeg naar Tolsteeg
De firma Wessels was volgens de advertentie de enige Nederlandsche firma die haar lederwaren zelf fabriceert van leder uit haar eigen fabriek. In de archieven is niet terug te vinden wanneer de fabriek precies in gebruik is genomen. Vermoedelijk was het bedrijf eerder gehuisvest aan de Strosteeg, vlakbij de Springweg in het centrum van de stad. In ‘Een paradijs vol weelde’, een lijvig boek over de geschiedenis van Utrecht, wordt de leerlooierij van E. Wessels aan de Strosteeg genoemd. 

Cholera
De gemeentelijke Gezondheidscommissie had in cholerajaar 1866 een bezoek gebracht aan de leerlooierij en pleitte voor sluiting. De reden: de rottende vleesresten aan de huiden veroorzaakten een walgelijke geur, bovendien loodste het bedrijf smerig afvalwater in de gracht. Volgens de toen geldende medische opvattingen kon dit leiden tot de verspreiding van zogenaamde ‘miasmen’: ziekteverwekkende stoffen in de atmosfeer. Wessels was het er niet mee eens en ging tegen de beslissing in beroep. Met succes: hij werd in het gelijk gesteld en mocht het bedrijf voortzetten.

De grootste van Nederland
Rond 1900 was het bedrijf – intussen verhuisd naar de Tolsteegsingel – met meer dan 50 werknemers een van de grootste leerproducenten in Nederland. De fabrieksgebouwen zijn in de jaren zeventig tegen de vlakte gegaan. Op deze locatie kreeg de RIAGG een nieuw kantoor, waarin later door Stichting Centrum Maliebaan ambulante psychiatrische zorg werd verleend. Dit kantoor is inmiddels ook gesloopt, behalve het casco: dat is hergebruikt voor Stadsbuiten, een gloednieuw complex dat bestaat uit 21 luxe appartementen. Het is gebouwd in neoklassieke stijl, net als de naastgelegen villa uit 1860.

Bron: Jeroen Kreule in AD/UN 30/01/2022

Buurt: Tolsteegsingel | kaart

Fotolitho: Fabrieksterrein van Looierij Wessels 1913 – Het Utrechts Archief

Begraafplaats St Barbara

Na 1798 mochten katholieken eigen begraafplaatsen stichten. In 1818 vroeg de parochie Buiten Wittevrouwen als een van de eerste in Nederland toestemming om achter de ‘Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopening’ kerk een eigen begraafplaats aan te leggen, ongeveer waar nu de Adriaanstraat, Tulpstraat en Sweelinckstraat liggen. Vanaf 1828 werd het kerkhof ‘Algemeen’ en mochten ook andere parochies hun doden er begraven.

Deken Roes
Oost groeide hard in de 19de eeuw, dus weken de katholieken in 1875 uit naar een nieuwe begraafplaats met ingang aan de Biltstraat. Op de plek van het oude kerkhof werd eind 19de eeuw onder de bezielende leiding van pastoor Th. S. Roes een nieuwe kerk gebouwd met aanpalend een groot scholencomplex. Een van de nieuwe straten werd naar hem genoemd (Deken Roesstraat).

Neogotische kapel
De nieuwe begraafplaats werd vernoemd naar St. Barbara, de beschermheilige van de stervenden en beschermster tegen een onvoorziene dood. Alfred Tepe ontwierp eerst de directeurswoning, het lijkenhuis en een wachtkamer, in 1881 gevolgd door een neogotische kapel voorzien van gebrandschilderde ramen van Willem Mengelberg jr. en Henricus Kocken. De ruimte onder het verhoogde koor, dat ongeveer naar het oosten is gericht, werd grafkelder voor aartsbisschoppen.

Oorlogsgraven
St, Barbara is laatste rustplaats voor aartsbisschoppen, priesters, zigeuners en bekende Utrechters zoals de familie Dreesmann, politicus Willem Aantjes en beeldhouwer Pieter D’Hondt. Ze heeft ook een oorlogsgraf voor slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog (o.a. 80 Polen) en een monument voor zij die vielen in Nederlands-Indië.

Buurt: Wilhelminapark eo | kaart
Foto: Ingang R.K. Begraafplaats omstreeks 1900, toen nog aan de Biltstraat – Het Utrechts Archief