Categoriearchief: historie

Open Huis van Ravesteyn

Op steenworp afstand van het beroemde Rietveld-Schröderhuis ligt nóg een architectonische parel: het woonhuis van architect Sybold van Ravesteyn (1889-1983), Prins Hendriklaan 112, aan de rand van Rijnsweerd. Het monument wordt sinds 2019 beheerd door Vereniging Hendrick de Keyzer als museumhuis. Delen van het jaar kun je er overnachten, in de rest van het jaar is het huis open als museum. Wat een verblijf zo bijzonder maakt: de inrichting uit de tijd dat van Ravesteyn er woonde, is nog grotendeels intact.

Op zaterdag 29 juni kun je het museumhuis bezoeken, gratis, tussen 15:00 en 19:00 uur. Graag aanmelden (niet verplicht).

Gewapend beton
Van Ravesteyn trad in 1921 als constructeur in dienst van wat tegenwoordig de Nederlandse Spoorwegen heet. Zijn eerste klus was de constructie van de Inktpot, het grootste bakstenen gebouw van Nederland. Later promoveerde hij tot huisarchitect van de spoorwegen. Hij bouwde veel stations (o.a. het oude Centraal Station van Utrecht), seinhuizen en depots, doorgaans van gewapend beton, een bouwmateriaal dat toen in opkomst was en waar hij veel kennis van had. Buiten het spoorwezen tekende hij ook voor de Diergaarde Blijdorp en theater Kunstmin in Dordrecht. Na de oorlog gingen veel van zijn (spoor)ontwerpen tegen de vlakte, vandaar zijn bijnaam: de meest gesloopte architect van Nederland.

Polderweg
In 1932 kreeg hij de kans om een eigen woonhuis aan de Prins Hendriklaan 112 te bouwen op een onbebouwd driehoekig kavel naast een rijtje traditionele jaren 30 huizen tegenover de Kromhoutkazerne. Het was een tip van Rietveld, die wist dat zijn collega na zijn scheiding nieuwe woonruimte zocht. De laan ging daar over in een landweg richting de toen nog onbebouwde Johannapolder, tegenwoordig Rijnsweerd. Op het taps toelopende stuk grond paste geen standaard woning. Maar daar wist hij wel raad mee. 

Golven en krullen
Van Ravesteyn bouwde met bescheiden middelen een huis waarin het prettig was om te wonen én te werken. De kenmerkende gele bakstenen waren afdankertjes van de Spoorwegen. Hij experimenteerde ook met golvende lijnen en weelderig krullende vormen, geheel tegen de rechtlijnige principes in van het toen populaire Nieuwe Bouwen dat juist inzette op een moderne, zakelijke bouwstijl wars van niet-functionele vormen. Het streven naar licht-lucht-ruimte nam hij wél over, zoals te zien in de grote ronde erker. Hij combineerde ook verschillende functies (wonen en werken) in één ruimte. 

Buurt: Rijnsweerd | kaart

Links het huis van Ravesteyn, bij de landweg richting Johannapolder, tegenwoordig Rijnsweerd – Het Utrechts Archief 1958
Utrecht Centraal Station in 1940 – Nationaal Archief

Rietveld Schröderhuis

Het Rietveld Schröderhuis is een eeuw oud! De beheerder Centraal Museum viert dat met een feestprogramma van honderd dagen. Op 15 mei 2024 opende locoburgemeester Rachel Streefland het jubileum en hield curator van het huis Natalie Dubois een toespraak over de samenwerking tussen Rietveld en Schröder: “Ze bouwden dit samen. Het kon niet zonder hem, en ook zeker niet zonder haar.”

Eigenzinnige woonwensen
In 1924 vraagt Truus Schröder de bevriende meubelontwerper Gerrit Rietveld of hij haar nieuwe woonhuis aan het eind van de Prins Hendriklaan wil ontwerpen, destijds de rand van de stad. De moeder van drie kinderen is net weduwe geworden en wil een huis dat helemaal voldoet aan haar eigenzinnige woonideeën. Truus woont er uiteindelijk tot haar dood in 1985. Gerrit betrok al snel een eigen atelier op de benedenverdieping, waar hij samen met Truus werkt aan nieuwe ontwerpen. Als zijn eerste vrouw in 1957 overlijdt, trekt Gerrit definitief bij zijn vriendin in en woont er tot aan zijn dood in 1964.

Bouwen in Stijl
In de jaren 20 maakt Rietveld vooral meubels, zoals zijn beroemde Rood-blauwe stoel uit 1919. Hij heeft een werkplaats aan de Adriaen van Ostadelaan. Een compleet woonhuis heeft hij nog niet eerder mogen ontwerpen. Hij maakt het huis samen met Truus helemaal in de stijl van … De Stijl, een kunststroming vernoemd naar het in 1917 opgerichte tijdschrift over moderne kunst. Kenmerkend in het ontwerp zijn de vloeiende overgangen van binnen naar buiten, de strakke horizontale en verticale lijnen en natuurlijk het gebruik van primaire kleuren, naast wit, grijs en zwart.

Waterlinieweg, uitzicht weg
Het Rietveld Schröderhuis staat na oplevering in 1924 nog aan de rand van Utrecht: aan de overkant is niets anders dan een uitgestrekte woestenij, de Johannapolder. Het prachtige uitzicht speelt een belangrijke rol in het ontwerp. Zelfs zo belangrijk, dat Truus Schröder begin jaren ’30 de grond tegenover het huis koopt toen dat beschikbaar kwam. Gerrit en Truus ontwerpen daarvoor een blok met vier stadsvilla’s en een blok met vier appartementen. Het heet nu Erasmuslaan. Als in de jaren ’60 de vierbaans rijksweg 22 (de latere Waterlinieweg) wordt verhoogd en een noodzakelijk viaduct zo’n beetje in de voortuin aangelegd worden, mag het woonhuis wat Gerrit betreft afgebroken worden. De verbinding tussen binnen en buiten was volgens hem helemaal verdwenen, de crux van het huis. Hij overlijdt in 1964. In 2000 is het Stijlicoon uitgeroepen to UNESCO werelderfgoed.

Meer info: www.rietveldschroderhuis.nl
Locatie: Prins Hendriklaan

Rietveld Schröderhuis in 1925 – Het Utrechts Archief
Tot 1964 was de kruising Prins Hendriklaan met de Rijksweg 22 (aangelegd in 1942), nog gelijkvloers. Omdat het autoverkeer drukker werd en de kruising gevaarlijker, besloot men de Rijksweg te verhogen zodat fietsers ongehinderd door een viaduct naar de polder konden. Links de voorgevel van het Rietveld Schröderhuis – Het Utrechts Archief
Om het eeuwfeest te markeren planten nazaten van Truus Schröder in bijzijn van de locoburgemeester een nieuwe wilg op de plek waar 100 jaar geleden Truus zelf een wilg plantte. – Foto: Eric Roeske

Het oude Tolsteeg

De Ganssteeg, nu de Gansstraat, was eeuwenlang doorgang tussen stad en platteland. Bij de oude stadspoort van Tolsteeg (nu: Ledig Erf) verzamelden handelaren en ambachtslieden zich in herbergen en veerhuizen voordat ze de poort mochten passeren. Langs de Kromme Rijn stonden graan- en houtzaagmolens (o.a. de Kranenburg), kloosters en lommerrijke buitenplaatsen zoals Soestbergen.

Snelle groei
In de 19de eeuw groeide de bedrijvigheid met de aanleg van het Oosterspoor en de bouw van begraafplaats Soestbergen en de gevangenis (het Luie End). Industriële bedrijven zoals wasserijen (Aurora), asfaltfabrieken (De Utrechtsche), houtverwerkers en machinefabrieken (JansenSutorius) vestigden zich langs de Kromme Rijn en Vaartsche Rijn waarover ze grondstoffen, eindproducten en machines konden aan- en afvoeren. De hoveniers vertrokken en op de oude tuindersgronden kwamen arbeiderswoningen. De stad groeide en slokte Tolsteeg op.

Boek
Peter Sprangers van de Historische Kring Tolsteeg Hoograven (HKTH) vindt het belangrijk om de geschiedenis van dit gebied te bewaren. In zijn nieuwste boek, met veel oude foto’s, kaarten en verhalen, beschrijft hij in detail hoe deze zuidelijke kant van onze wijk uitgroeide van een idyllische buitengebied tot een druk (en vies) industrieterrein. Het boek is verkrijgbaar bij de Utrechtse Boekenbar op de Westerkade of door een mailtje te sturen naar de HKTH: info@hkth.nl Kosten €28,95 voor 165 pagina’s hardcover.

Grote brand in de Utrechtsche Asphaltfabriek langs de Kromme Rijn in 1918 – Foto: Het Utrechts Archief
Boek van Peter Sprengers – Historische Kring Tolsteeg Hoograven

Indië Monument

Op de begraafplaats St Barbara staat bij de entree een monument voor de 52 Utrechters die na de oorlog sneuvelden in Nederlands Indië en Nieuw-Guinea. Het werd op 18 december 1999 onthuld door toenmalig burgemeester Annie Brouwer. Daar ging een heftige politieke strijd aan vooraf: een clash tussen veteranen en nabestaanden die naar een herdenkingsplek zochten voor hun gesneuvelde kameraden en familieleden, versus de lokale politiek. Die laatste was intern verdeeld over wat passend zou zijn nu de misstanden tijdens de politionele acties voor het grote publiek duidelijk waren geworden.

Verhaal áchter het monument
Wijkgenoot Hans Versnel is in Batavia geboren. Zijn vader werkte voor de Engelse koopvaardij en belandde in een Jappenkamp. Na de oorlog verhuisde het gezin terug naar Nederland. Voor zijn studie belandde Hans in Utrecht Oost, waar hij nog altijd woont. Hij werkte lange tijd op het stadhuis en raakte zo – mede door zijn Indische achtergrond – in de jaren 90 nauw betrokken bij de totstandkoming van het monument. Het is de periode dat burgemeester Opstelten werd opgevolgd door Annie Brouwer. Hans publiceerde later in 2008 het naslagwerk Klappermelk & Klompen met vertellingen door veteranen. Vooral het afsluitende interview met CDA-wethouder Ernst Haitsema geeft een spannend inkijkje in de politieke strijd destijds. Een interessante lezing voor wie het verhaal áchter het monument wil weten.

Naslagwerk over het monument

Maliebaanstation

Oosterspoorlijn
De Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij (HIJSM) opende op 10 juni 1874 op de Oosterspoorlijn Hilversum – Lunetten een station aan de landelijke oostkant van Utrecht, het Maliebaanstation. Aanvankelijk had HIJSM de Oosterspoorlijn gepland over de singel en dwars door het Zocherpark, maar dat ging na protesten van burgers en gemeenteraad niet door. Wel moesten voor de nieuwe locatie hoveniers en buitenhuizen plaats maken. In de beginjaren maakte ook concurrent Staatsspoorwegen gebruik van het Maliebaanstation o.a. als verbinding tussen haar zuidelijke en noordelijke netwerk. Het werd ook opstapplaats voor de trein naar Brussel en Parijs. Het Maliebaanstation kreeg internationale grandeur!

Teloorgang
Het Maliebaanstation werd al snel minder druk toen de HIJSM in 1885 een halte op de Biltstraat opende, waardoor reizigers makkelijk konden overstappen op de populaire paardentram van en naar Zeist / De Bilt. Ook de klandizie van de Staatsspoorwegen verdween na de fusie in 1890 met NRS (Nederlandsche Rhijnspoorweg), de latere NS. Deze nieuwe combinatie investeerde fors in het station aan de westkant van de stad, het latere Utrecht C.S. De genadeklap voor het passagiersvervoer kwam in 1907 met het opheffen van de paardentram die op het voorplein een grote halte en paardenstallen had.

Zwarte bladzijde
In de oorlog kreeg het station tijdelijk een militaire functie o.a. voor transport van Duitse verlofgangers. Zwarte bladzijde in de geschiedenis zijn de twee treinen waarmee in 1942 honderden Utrechtse Joden zijn gedeporteerd. In 1953 werd het station omgebouwd tot museum. Daarin kwam ook een afdeling ‘Beladen Trein’ over de oorlogsjaren van het Maliebaanstation.

Petten en Parijs
Na de oorlog zat in het station het Bureau Van Verloren Goederen van de spoorwegen met meer dan 50.000 (nooit opgehaalde) petten en hoeden in de opslag. Eind 19de eeuw was het een chique opstapplaats voor internationale reizigers naar Parijs.

Maliebaanstation in 1880 – Foto: Collectie Spoorwegmuseum
Postbesteller, bokkenkar en een paardenrijtuig van vervoerder Van Gend & Loos in 1895 – Het Utrechts Archief
Halte Biltstraat, opgewaardeerd in 1908 – Het Utrechts Archief
Na de oorlog fungeerde het ongebruikte station als Bureau Van Gevonden Goederen
De ijzeren luchtbrug voor voetgangers tussen Bolstraat en Eerste Baanstraat, gebouwd in 1900 en – onder zwaar buurtprotest – afgebroken in 1967 – Het Utrechts Archief
Schoolplaat met sfeerbeeld – Collectie Spoorwegmuseum @1880

De Apenrots

Herman de Waal is de ontwikkelaar van Rijnsweerd-Zuid, een woonwijk die eind jaren 70 is gebouwd vanuit een antroposofische gedachte, zie de originele brochure. Hij liet er door architect Ton Alberts ook een woonhuis voor zijn eigen familie bouwen op de Johan Buziaulaan 15-19. Het bureau Alberts en Van Huut heeft later een aantal spraakmakende antroposofische gebouwen gemaakt, zoals het hoofdkantoor van de NMB Bank in Amsterdam Bijlmer in 1987.

Organische bouw
Vanwege de organische vorm kreeg het woonhuis eerst de bijnaam Zandkasteel, later de Apenrots. Dochter Rosanne de Waal vertelde dat architect Ton Alberts (1927-1999) en haar vader eerst een model (1:50) van klei boetseerden, om vervolgens met de metselaars in het werk tot de definitieve vorm te komen. ‘Het huis groeit als het ware uit de grond en opent zich als een lotusbloem naar de zon’, aldus Herman de Waal. In 2001 is het huis afgedekt met titanium, omdat de bakstenen teveel water opzogen en gingen lekken. Nog altijd woont er familie in het huis. In 2024 is het woonhuis aangemerkt als jong monument.

Het huis net na de bouw in 1980 – foto: Het Utrechts Archief
Het kleimodel
Herman de Waal. De Apenrots werd in 2021 met titanium afgedekt. Foto: Michael Kars
Interieur in jaren 80 – foto: Het Utrechts Archief
Bureau Alberts en Van Huut bouwde in 1987 het nieuwe organische hoofdkantoor van de NMB (later ING) in Amsterdam Bijlmer – Foto: Nationaal Archief

Maliebaan

In maart 1636 werd de Utrechtse Illustere School verheven tot academie en was de oprichting van de Universiteit Utrecht een feit. De universiteit begon met vier faculteiten (een voorbereidende filosofische faculteit, theologie, rechten en geneeskunde), zeven hoogleraren en slechts enkele studenten, bepaald niet de 35.000 van tegenwoordig.

Ontspanning voor studenten
Om studenten te lokken, besloot de Vroedschap – het stadsbestuur – in 1637 tot de aanleg van een maliebaan. Paille maille was een chique frans woord voor maliespel: in zo min mogelijk beurten een houten bal, de paille, met een slaghout, de maille, naar het eind van de baan zien te krijgen. Het slaghout was voorzien van een fluwelen handvat (tevens de naam van de huidige ondernemersvereniging).
Binnen de stadsmuren van Utrecht was geen ruimte voor een lange baan, daarom werd besloten deze buiten de stadswal aan te leggen. De maillebaan kwam in het Oudwijkerveld, het gebied tussen stad en het klooster Oudwijk. De baan was circa 740 meter lang. Via een nieuwe stadspoort en een brug over de Stadsbuitengracht konden studenten en burgers naar de baan.

Maliehuis
Het speelveld kreeg aan beide kanten een lange schutting. Op de houten schotten stonden de afstanden. Het speelveld zelf was bedekt met gemalen schelpen. Om de maliebaan een voornaam aanzien te geven, werden aan weerszijden van de baan liefst vier rijen bomen geplant: zeshonderd populieren en twaalfhonderd linden. De bomen gaven de Maliebaan niet alleen een groen karakter, maar boden de spelers ook bescherming tegen regen en wind.
De gemeente kocht bovendien de nabijgelegen herberg Het Gulden Vlies aan. Het pand werd verbouwd tot Maliehuis, waar materiaal voor het spel kon worden gehuurd en opgeslagen. Ook konden spelers hier terecht voor een drankje. De Maliemeester werd belast met het toezicht en onderhoud van de baan.

Einde oefening
De baan trok steeds meer burgers die een ommetje maakten vanuit de stad. Er verschenen theehuisjes en later zelfs stadsvilla’s. Het onderhoud van de baan bleek een voortdurende bron van zorg voor het stadsbestuur. Vuil en afval werden op de baan gedeponeerd, bomen raakten beschadigd en delen van de houten schuttingen werden gesloopt. Ruiters en koetsen reden de baan stuk, waardoor deze in een modderpoel veranderde.
Het maliespel verloor in de loop van de zeventiende eeuw aan populariteit. De baan kreeg als upgrade nog een paar honderd extra meters, maar in 1796 was het einde oefening. De houten schotten en palen werden verwijderd. Wat bleef was een park voor de burgerij van Utrecht. In 1811 werd de middenbaan verhard tot rijweg voor de wapenschouw van keizer Napoleon Bonaparte op 7 oktober.

Buurt: Buiten Wittevrouwen | kaart

Tekening van Herman Saftleven 1660 – Het Utrechts Archief
Ingekleurde prent van Jan van Vianen 1685 – Het Utrechts Archief

Homeruslaan

Het buurtje achter de Zonstraat en de Oudwijkerdwarsstraat ging begin jaren 30 volledig op de schop. Dwars door de tuinderijen werd een brede invalsweg aangelegd: de Homeruslaan. Deze vloeide voort uit de stadsvisie van Berlage, door de gemeente vastgesteld in 1924. Brede boulevards moesten de (binnen)stad bereikbaar houden voor autoverkeer. De Homeruslaan, in eerste instantie Verlengde Mecklenburglaan genoemd, zou aan moeten sluiten op het nieuwe Universitair Medisch Centrum. Dat zou gebouwd worden op de plek van het Maliestation en naastgelegen rangeerterrein van het Oosterspoor. Helaas, de spoorwegen werkten niet mee, de brede Homeruslaan eindigde bij de Oosterstraat.

Gymnasium
In 1932 opende burgemeester Fockema Andrea het door stadsarchitect Planjer ontworpen en in gele bakstenen opgetrokken Stedelijk Gymnasium haar deuren. Het werd met alle egards geopend als paradepaardje van de nieuwe buurt. De spanningen in de buurt liepen hoog op toen een plan circuleerde dat voorzag in een afsluiting van de Lindestraat met een onderdoorgang. Bewoners voelden zich buitengesloten van de nettere, nieuwe buurt. Dat plan ging niet door, maar de architect kreeg zijn onderdoorgang aan de andere kant van de Homeruslaan richting het oude badhuis.

Aurora
Voor de mensen die er woonden en werkten, veelal tuinders, ambachtslieden en kleine ondernemers met werkplaatsen, was de gebiedsontwikkeling ingrijpend. De levendige stadsrand waar bloemisten, wasserijen en zelfs een asfaltfabriek naast elkaar konden bestaan, werd een nette wijk. Een grote bloemisterij was Aurora die midden op het tracé lag van de nieuwe Homeruslaan. De Aurorastraat dankt er haar naam aan.

Verzet in de oorlog
Het hoekpand Homeruslaan 30, in de oorlogsjaren een sigarenzaak, later Snackbar Friends, fungeerde in WOII als verzetsruimte. In de kelder zat een telefooncentrale van de Centrale Inlichtingendienst (CID), diverse randapparatuur en een drukpers voor folders. Winkelier Besseltje van Beek wist de kelder uit zicht van haar Duitse klanten te houden. Na de oorlog kwam Prins Bernard ter ere van het verzet op bezoek.

Het Stedelijk Gymnasium direct na opening gezien vanaf huidige Minervaplein
De Homeruslaan werd dwars door tuindersgebied getrokken
Kaart van geplande gebiedsontwikkeling
Oude stal van wijnhandel Van Nimwegen moest wijken voor de Homeruslaan
Prins Bernard op bezoek in juni 1945

Tramlijn 2 naar Oudwijk

Eind 19de eeuw breidde de stad uit buiten de singels. Toenmalig Burgemeester Reiger wilde nieuwe woonbuurten als Oudwijk verbinden met de oude binnenstad, liefst met een elektrische tram, die sneller, schoner en stipter was dan de paardentram.

Op 15 juni 1907 vertrok tramlijn 2 vanaf het stationsplein met bestemming Oudwijk. Via de singel, Maliebaan, Baanstraat (in 1911 hernoemd tot Burgemeester Reigerstraat) en vervolgens linksaf de huidige Van Limburg Stirumstraat in, bereikte de tram het keerpunt Museumbrug. Een enkeltje kostte 5 cent, in de avond gold dubbel tarief. Diezelfde dag vertrok ook lijn 3 die vanaf het stationsplein de noordelijke route nam via Weerdsingel en Wittevrouwensingel naar de Maliebaan en dan in het spoor van lijn 2 naar keerpunt Museumbrug. Beide lijnen versmolten na een jaar tot de nieuwe ringlijn 2 waarmee je voortaan een heel rondje binnenstad-Oost-NoordOost kon maken.

Populair gezinsuitje
Toen de Burgemeester Reigerstraat werd doorgetrokken richting het Wilhelminapark, kon het trambedrijf in 1915 ook de snelgroeiende Schildersbuurt erachter aandoen. De tram reed voortaan via de Koningslaan rechtsom het Wilhelminapark (halte Emmakliniek), en vervolgens over de Colignybrug, Rembrandtkade, (vanaf 1924 rechtgetrokken via Hobbemastraat en Jan van Scorelstraat), Prins Hendriklaan (halte Antonius Gasthuis), Stadhouderslaan, langs het Rosarium richting Museumbrug. Door deze extra slinger rond het park groeide lijn 2 uit tot een populair gezinsuitje. In de weekenden puilden de rijtuigen uit, mede vanwege de publiekstrekker Rosarium (geopend in 1913) die op de route lag. Kassa voor het trambedrijf!

Laatste ronde
Met de opkomst van de lijnbussen in de jaren twintig braken de magere jaren aan voor de tram. Zelfs een aftakking van de in 1930 gewijzigde route van stadslijn 3 via Nachtegaalstraat, Reigerstraat, Wilhelminapark en de Adriaen van Ostadelaan naar het nieuwe Diakonessenhuis, en in 1936 nog verlengd tot stadion Galgenwaard mocht niet baten: op 30 september 1938 vertrok de laatste tram naar Oost.

[i] Bron: De tram in Utrecht, Dr. A. van Hulzen (uitgeverij Matrijs)

Tramlijn 2 reed in de jaren 30 door de Stadhouderslaan – Het Utrechts Archief
Oud muuranker van de bovenleidingdrager (Wilhelminapark), een relikwie van de oude tramlijn

Het Nieuwe Woonhuis

De eerste flat van Utrecht én een nieuw woonconcept: Het Nieuwe Woonhuis, opgeleverd eind 1923. Het initiatief kwam van een groep middenstanders (leraren, winkeliers en ambtenaren) die zich verenigden om zelf (uiteindelijk) 84 gestapelde woningen te kunnen bouwen. Niet alleen om de kosten te drukken (na de eerste wereldoorlog waren huizen en bouwmaterialen schaars en dus duur), maar ook om meer samen te leven, ze hadden een sociaal ideaal. Die sfeer is een eeuw later grotendeels behouden: het verloop is laag, bewoners doen veel samen.

Het Nieuwe Woonhuis aan de Rembrandtkade begin 1924 – foto: Het Utrechts Archief

Geen geriefelijkheden
De twee woonblokken langs de Rembrandtkade (48 woningen) en Albert Neuhuijsstraat (36 woningen) zijn gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School. Meest kenmerkend zijn de uitgebouwde, halfronde portieken. In 2001 is het complex uitgeroepen tot rijksmonument. Bij de oprichting van de bouwvereniging hadden de aanstaande bewoners meer luxe in gedachten, zoals gezamenlijke badruimtes en keukens, boodschappenliften, elektra en centrale verwarming. Maar de gemeente, die een bouwsubsidie verleende, zette door al die ‘geriefelijkheden’ een streep. Een dak boven je hoofd vonden de hoge heren al voldoende luxe …

Samen wonen
Het sociale ideaal bleef wel overeind. Er kwamen huisregels om het samenwonen te bevorderen en te bewaken. Zo mocht je de was niet op het balkon laten drogen, en bepaalde de vlagcommissie – tot op de dag van vandaag – wanneer en hoe de vlag uit moet. De woningen zijn in 1997 overgegaan naar Bo-ex, omdat een grootscheepse renovatie noodzakelijk was, iets wat de bewoners zelf niet konden behappen. Het sociale aspect bleef behouden door een actieve bewonersvereniging. Huurders dragen bijvoorbeeld gezamenlijk zorg voor het publieke groen rondom het complex.

Eeuwfeest
De aanmelding is wél veranderd: nieuwe huurders hoeven niet langer langs de ballotagecommissie, maar melden zich aan via Woningnet. En eigenaar Bo-ex heeft inmiddels een kwart van de sociale huurwoningen naar de vrije sector overgeheveld, wat tot een hoger verloop leidt. Niettemin is er nog voldoende Woonhuisgevoel voor een spetterend eeuwfeest, zaterdag 23 september op de Rembrandtkade.

Lees meer over Het Nieuwe Woonhuis in het jubileumboek (Geschiedenis van Utrechts Eerste Flats, 1919-1994) uit 1994.

Boven het net opgeleverde woonblok Het Nieuwe Woonhuis langs de Minstroom, rechtsboven de nieuwe Aloysiuskerk. Op de voorgrond de Emmakliniek met uitzicht op het Wilhelminapark – Het Utrechts Archief
Hobbemaplantsoen (toen nog zonder het beeld van Jan van Scorel) met linksachter het woonblok van Het Nieuwe Woonhuis aan de Albert Neuhuijsstraat @1925 – Het Utrechts Archief
Tekening Albert Neuhuijsstraat door overbuurvrouw Marina Coster
Jubileumboekje uit 1994