Categoriearchief: historie

Het (oude) Diakonessenhuis

In 1844 startte op de Springweg het eerste Diakonessenhuis in Nederland met drie diaconessen. Diaconessen (oud-Grieks voor dienaren) waren ongetrouwde protestantse zusters die als liefdewerk zieken en armen verzorgden. Barmhartigheid als levenstaak. In het begin stond het geloof centraal en vormden de diaconessen een soort van kloosterorde. Ze woonden in het moederhuis ernaast. Ze deden wijkverpleging in de hele stad. Vanaf 1845 was de medische supervisie in handen van hoogleraar Suerman (1783-1862).

Snelle groei
Het ‘concept’ van diakonessenhuizen ontstond in Duitsland in de eerste helft van de 19de eeuw. In een samenleving die won aan welvaart – mede door de Verlichting, snelle technologische vooruitgang, rationalisatie en industrialisatie – ontstond de tegenbeweging Réveil die meer aandacht vroeg voor medemenselijkheid en de zorg van met name ouderen, gevangenen, oorlogsinvaliden, zwakzinnigen, wezen, armen en zieken. In heel Europa werden daarvoor Diakonessenhuizen gesticht, het eerste in 1836 in het Duitse Kaiserseerth. In Utrecht geschreven met een ‘k’ naar het oorspronkelijke Duitse woord Diakonissenhaus.

Swellengrebel
De eerste besturende zuster en drijvende kracht was Anna Henriette Swellengrebel (1810-1874). Zij maakte in die jaren zoveel indruk in de stad, dat de vermaarde schrijver en predikant Nicolaas Beets een speciale toespraak en een grafdicht hield tijdens haar uitvaart. Het bejaardenhuis dat in 1958 de deuren opende op het terrein van het Diakonessenhuis aan de kant van de huidige Rubenslaan, Huize Swellengrebel, is naar haar vernoemd.

Koninklijke band
In 1929 opende het snelgroeiende ‘Diak’ op de huidige locatie Bosboomstraat in Oost. De band met ons protestantse koningshuis is altijd sterk geweest, daarom mocht koningin Wilhelmina in 1926 de eerste steen van het nieuwe ziekenhuis leggen. De zorg moderniseerde in de daarop volgende decennia en de rol van de zusters veranderde mee: van verzorgingshuis naar ziekenhuis.

Midden jaren 90 verbouwde het Diak ingrijpend. De weelderige tuinen, de vele beddenkamers en zelfs de grote kapel – het heilige hart van de diaconessen – maakten plaats voor poliklinieken. De focus kwam primair op medische behandelingen. ‘In het ziekenhuis wat moet, thuis wat kan’ werd het adagium van de zorg in Nederland.

De laatste diacones, zuster Ali Hendriksen ging in 1997 met pensioen, maar bleef nog jarenlang actief als vrijwilliger in het ziekenhuis. Voor diaconessen in ruste is altijd goed gezorgd. Ze verbleven in het interne zusterhuis en later in Huize Swellengrebel. Ze hebben zelfs eigen graven op Soestbergen en Kovelswade.

Het nieuwe Diak in 1930 vlak na de verhuizing naar de Bosboomstraat. Weelderige binnen- en buitentuinen droegen bij aan het herstel van patiënten – foto: Het Utrechts Archief
Diak in 1950; Rechtsoven zijn de tuinderijen nog te zien (nu: de Fockema Andrealaan, met o.a. het Bonifatius College en woonproject De Kwekerij) en linksboven de aanzet tot de Rubenslaan – Het Utrechts Archief
Diaconessen in 1908 in uitgaand tenue – foto: Het Utrechts Archief
Aankomst koningin-moeder Emma. Haar dochter Wilhelmina legde de eerste steen in 1926 – foto: Het Utrechts Archief
Diaconessen vieren de bevrijding op de Burgemeester Reigerstraat 7 mei 1945 – foto: Het Utrechts Archief
Grafdicht van Nicolaas Beets tijdens de Uitvaart van Henriëtte Swellengrebel in 1874 (deel 1)
Gedicht Nicolaas Beets tijdens de Uitvaart van Henriëtte Swellengrebel in 1874 (deel 2)
Oproep uit 1844

Deken Roesbuurt

De parochie Onze Lieve Vrouwe had sinds 1759 een kerk aan de Biltstraat. In 1818 kreeg ze in de ‘achtertuin’ ook een eigen begraafplaats, het eerste katholieke kerkhof na de reformatie. Het besloeg – na enkele uitbreidingen tot 6.600 m2 – grofweg het gebied tussen de huidige Adriaanstraat, Sweelinckstraat en Tulpstraat. De begraafplaats raakte na 1850 vol en kon vanwege de snelle groei van Oost niet meer uitbreiden. Daarom stichtte de Utrechtse katholieke kerk in 1874 een nieuwe begraafplaats aan het einde van de Biltstraat: St Barbara. Het oude kerkhof werd gesloten. Rond 1900 werden de laatste resten geruimd om plaats te maken voor de bouw van scholen.

In 1894 had de snelgroeiende katholieke parochie haar oude kerkgebouw al vervangen door de imposante Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopening kerk (met 1.400 zitplaatsen een van de grootste van ons land), een ontwerp van Alfred Tepe, de huisarchitect van het aartsbisdom Utrecht.

Deken Roes
Rond 1900 stichtte de deken (kerkbaas) Th. Roes (1836-1913) achter deze nieuwe kerk vijf buurtscholen aan de Adriaanstraat en Pallaesstraat, naar goed katholiek gebruik jongens en meisjes apart. Voor het onderwijs ‘huurde’ hij de Zusters van Onze Lieve Vrouwe van Amersfoort in. Die kregen in ruil onderdak in het nieuwe stadsklooster te midden van de scholen, met een nieuwe weg om er te komen: de Deken Roesstraat, een verlenging van de Badstraat. In 1909 werd de weg doorgetrokken naar de nieuw aangelegde Sweelinckstraat, waarmee het laatste stukje Kerkstraat (het pad naar de OLV-kerk) verviel. Deze bouwwoede maakte van dit buurtje in Buiten Wittevrouwen een waar katholiek bolwerk.

Kerk en school gesloopt
In 1972 werd de grote kerk wegens gebrek aan bezoekers alweer gesloopt en in het klooster maakten de zusters plaats voor franciscaner monniken. Op de plek van de oude meisjesschool (School B) aan de Pallaesstraat werd in 1992 de (katholieke) Montessorischool gebouwd. De andere schoolpanden zijn in de loop der jaren verbouwd tot appartementen en kinderopvang. Het klooster, een ontwerp van Gerardus Ebbers, een leerling van Tepe, behield nog lange tijd zijn functie van godshuis totdat in 2018 de laatste monnik vertrok. Ook hier komen appartementen, hoewel de buurt protesteerde tegen sloop van met name de monumentale veranda annex compacte kloostergang.

Lezing
De buurtbewoners Eppo Groenewold en Kees Verboom gaven 27 februari 2026 tijdens het Cultuurhistorisch Café in De Wilg de lezing Roomsch Oost, een uitgebreide geschiedenis van deze buurt.

Klooster (links) aan de Deken Roesstraat met op de voorgrond de kloostertuin met moesbakken. De meisjesschool (rechts) uit 1902 aan de Pallaesstraat is in 1992 gesloopt. Daar staat nu de Montessorischool.
Situatie in 1902
OLV-kerk gezien vanuit de (onverharde) Kerkstraat, nu Sweelinckstraat – 1903
OLV-kerk aan de Biltstraat – 1908
In 2025 verzamelden werklieden kratten en zakken vol botten en schedels tijdens werkzaamheden aan het warmtenet achter het gebouw van de Montesorrischool Buiten Wittevrouwen aan de Pallaesstraat – foto: Montesorrischool

Bakkerij Do Schat

De naam Do Schat stond bijna 100 jaar op de puien van meerdere bakkerswinkels in Oost (o.a. Dillenburgstraat). Oprichter Do Schat startte de bakkerij in 1923 in de Braamstraat (Oudwijk). De zaak groeide snel, zie ook de vele bakfietsen op de jubileumfoto bij het 10-jarig bestaan in 1933.

Allinson Volkoren
Kleinzoon Huib woont nog altijd in Oudwijk vlakbij de inmiddels gesloopte bakkerij. In geuren en kleuren vertelt hij over de familiezaak. “Onze bakkerij werd echt groot toen we in de jaren ‘30 volkorenbrood naar eigen recept gingen maken met de naam Allinson Volkoren. Het ligt tot op de dag van vandaag in de schappen van Albert Heijn. Later nam mijn vader Do de zaak over samen met zijn broers Arnold en John. Op het hoogtepunt in de jaren ‘80 hadden we meer dan 20 winkels waarvan drie in Hoog Catharijne. Overigens was de bakkerswinkel P.A. Schat aan de Abstederdijk van mijn opa’s broer Piet, wat maar aangeeft dat ik van een zeer oude en wijdvertakte bakkersfamilie stam.”

Bakkersland
“In de jaren ‘70 werd onze fabriek aan de Braamstraat te klein en verhuisden we naar Overvecht. In 1992 is de zaak vanwege de onafwendbare schaalvergroting samengegaan met de landelijke keten Bakkersland. Mijn vader is Oost zijn leven lang trouw gebleven, hij woont alweer 50 jaar in de Krommerijnwijk. Recentelijk kreeg hij voor zijn 90ste verjaardag hartverwarmende berichtjes, vaak van oud-personeel of zelfs familie daarvan. Daar is ie trots op, want voor hem en de rest van de familie stond zorg voor personeel bovenaan, zelfs toen de zaak over ging in vreemde handen en uiteindelijk, ruim 10 jaar geleden, de poorten moest sluiten.”

I.M. Do Schat (1930-2026)
Do Schat had een groot sociaal hart. Een aantal jaren geleden organiseerde oud-werknemer Marzouk Zarioh met zo’n 45 oud-collega’s, allen van Marokkaanse afkomst, een reünie als eerbetoon. Daarin dankten ze hem uitvoerig voor zijn niet-aflatende steun in al die jaren, zie de toespraak die Mohammed Aamri die dag hield. Wat een baas!

Foto 1: 10-jarig bestaan Do Schat aan de Braamstraat in 1933 – Het Utrechts Archief
Foto 2: Do (junior) met zijn vrouw Corry, net 90 geworden (2020) – Michael Kars

Do Schat met zijn vrouw Corry voor hun (Oude) huis in de Krommerijnwijk 2020 – foto: Michael Kars
Do Schat tijdens de reünie met oud-werknemers die hem tot op late leeftijd op handen droegen – foto: Arnoud Wolff

De Engelse Kerk

Wat doet een Engelse Kerk in Oudwijk? Het pittoreske godshuis aan het Van Limburg Stirumplein opende haar deuren eind 1912. Het heet officieel de Holy Trinity Anglican Church. De historische vereniging Oud Utrecht schreef er in 2003 een groot artikel over. Zoveel is duidelijk: in de 19de eeuw kende Utrecht een grote gemeenschap Engelse arbeiders die hielpen bij de bouw van het spoor. Vanaf 1870 kwam daar een grote schare dienstmeisjes (gouvernantes) bij die de rijke Utrechtse families hielpen met de huishouding.

Plattelandskerk
Daniel George Bingham (1830-1913) – een Engelsman die namens de Britse investeerders orde op zaken moest stellen bij de verliesgevende Nederlandse Rhijn Spoorwegmaatschappij – zette zich in voor hun (geestelijk) welzijn. Samen met jonkheer Twiss (1852-1917) nam hij het initiatief voor een Engelse Kerk op een leeg perceel in Oudwijk. Bouwmeester Houtzager (1857-1944) ontwierp het kerkgebouw en de pastorie in laat-neogotische stijl. De typisch Engelse plattelandskerkjes waren zijn bron van inspiratie. Al snel werd de kerk wegens grote belangstelling uitgebreid én vergraaid. Zo kreeg het fraaie glas-in-loodramen van de hand van de Engelse kunstenaar Bosdet (1856-1934).

De Engelse Kerk net na oplevering – foto: Het Utrechts Archief

Laan van naam

Geen straat in Oost wisselde zo vaak van naam als de Prinses Marijkelaan, maar liefst vier keer! Rond 1900 was het niet meer dan een kerkenpad in het Oudwijkerveld met een rijtje arbeidershuisjes, gelegen ten noordoosten van het net aangelegde Wilhelminapark. Toch kreeg het een chique naam: Nassaulaan.

In 1929 moesten de huisjes verdwijnen, ze pasten niet meer bij de nieuwe herenhuizen in de buurt rondom het Wilhelminapark. Zo ging dat toen! Alleen het kleine winkelpand op de hoek mocht blijven staan. Na het huwelijk van Juliana en Bernhard in 1937 werd de straat omgedoopt tot Prins Bernhardlaan. Een goede aanleiding, en het beëindigde bovendien de eeuwige verwarring met de Nassaustraat iets verderop.

Nieuwe naam tijdens de bezetting
In 1942 draaiden de Duitse bezetters de wijziging weer terug: voor hen was prins Bernhard een verrader van de Duitse zaak. Om dezelfde reden werd ook het Wilhelminapark tijdelijk hernoemd tot Nassaupark. Na de bevrijding werd het weer Prins Bernhardlaan. In de jaren vijftig annexeerde Utrecht het dorp Zuilen. Dat kende óók een Prins Bernhardlaan. Om dubbele straatnamen te vermijden, volgde er nogmaals een wijziging. In 1954 werd het straatje vernoemd naar de dochter van Juliana en Bernhard: Prinses Marijkelaan.

Geen nummer 3
De straat is ook bekend om haar omstreden ex-bewoner Anton Mussert (1894-1946), oprichter en leider van de NSB. Na de sloop van de oude huisjes had hij in 1929 een van de nieuwe woningen gekocht, het vierde pand vanaf het park gezien. Vol trots had hij zijn nieuwe adres al op zijn briefpapier laten drukken. Echter kreeg het hoekhuis op het laatste moment een adres aan de (sjiekere) Koningslaan. De nummering van de toenmalige Nassaulaan begon daarom pas bij het tweede pand en daarmee zou Mussert niet op nummer 4, maar 3 komen te wonen. Oeps! Maar hij kreeg het echter voor elkaar dat huisnummer 3 werd overgeslagen. Zijn briefpapier was gered.

Nassaulaan in 1929. Op het winkelpand op de hoek na moest het hele rijtje arbeidershuisjes plaatsmaken voor woningen die beter pasten in het statige beeld van de nieuwe buurt rondom het Wilhelminapark – Het Utrechts Archief
Uittreksel uit het Adresboek Utrecht 1940: geen nr 3!

Paviljoen 100 jaar oud

Het Wilhelminapark werd in 1898, het jaar waarin Wilhelmina tot koningin werd gekroond, officieel geopend. In 1911 bouwde de gemeente een klein houten paviljoen met uitzicht op de vijver en gaf de exploitatie aan de lokale afdeling van de Volksbond tegen Drankmisbruik. Dit zogenoemde melkhuisje is in 1925 vervangen door het grotere theehuis dat wat westelijker in het park kwam te liggen. De grote eetzaal kon ook gebruikt worden voor vergaderingen, bijeenkomsten en recepties. Jarenlang werden hier rijexamens afgenomen en fungeerde het als stemlokaal.

Het beheer van het paviljoen bleef al die tijd in handen van de Volksbond tegen Drankmisbruik. Totdat de gemeente het huurcontract in 1950 opzegde. Nu is het een restaurant.

Bekijk ook het filmpje Het Paviljoen

Paviljoen net na oplevering in 1925 – Het Utrechts Archief
Melkhuisje 1911-1924 – Het Utrechts Archief

Koninginnedag 1925

Honderd jaar geleden vierden we in Oost op 31 augustus de verjaardag van koningin Wilhelmina. Hoofdprogramma in het Wilhelminapark: een gekostumeerde voetbalwedstrijd en een springconcours door wachtmeesters van de artillerie. Daar ging een militaire parade op de Maliebaan aan vooraf. Er was dat jaar geen vuurwerk in de avond om kosten te besparen, maar er waren wel ‘muzikale omgangen door de stad’ waarbij de muziekkorpsen fakkels meedroegen, aldus een bericht in het Utrechts Nieuwsblad. Naast de centrale viering in het park, organiseerden tal van straten en buurten feesten, zoals op de Abstederdijk waar kinderen mochten ‘blaastrappen’.

Opkomst buurtverenigingen
Koninginnedag vindt zijn oorsprong eind 19de eeuw met het vieren van de verjaardag van eerst prinses Wilhelmina, later Koningin Wilhelmina. In die periode wordt de nationale staat steeds belangrijker en het vieren van de verjaardag van de vorst of vorstin draagt bij aan het besef één land te zijn. Rond 1900 groeit ook Utrecht snel. Tuin- en landbouw maken plaats voor bedrijvigheid en industrie. In Oost worden buurten voor arbeiders gebouwd, waar vervolgens het verenigingsleven opkomt. Zo is er al in 1909 een buurtvereniging op de Abstederdijk. En we zien op een archieffoto uit 1913 een door de buurtvereniging Oudwijk opgerichte ereboog in de Van Alphenstraat ter viering van Koninginnedag.

Historicus en buurtgenoot Bas Nugteren schreef een artikel in de Alex 2025, uitgegeven door Oranjecomité Oost. Hierin gaat hij uitgebreid in op de (sociale) ontwikkeling van buurtverenigingen en Koninginnedag in onze wijk.

Koninginnedag 1925 in het Wilhelminapark – Het Utrechts Archief
Blaastrappen op de Abstederdijk op Koninginnedag 1925 – Het Utrechts Archief
Koninginnedag 1913 in Oudwijk Noord – Het Utrechts Archief

Stadion Galgenwaard

In de crisisjaren 30 van de vorige eeuw telde Utrecht 40.000 werklozen op een bevolking van 160.000. Daarom kwam de overheid met werkverschaffing, grote publieke projecten zoals de bouw van een stadion. Op de grond van de hofstede De Groote Kuil gingen honderden (ongeschoolde) arbeiders aan de slag. Het resultaat was een stadion met 10.000 zitplaatsen rondom een wielerbaan met op het middenterrein een voetbalveld. Burgemeester Ter Pelkwijk opende Galgenwaard op 21 mei 1936 officieel. Het stadion zat bomvol, mensen waren met overvolle trams gekomen om het nieuwe icoon van de stad te bewonderen.

Sloop door supporters
De lokale voetbalclub Hercules en DOS speelden er hun thuiswedstrijden. In 1958 werd DOS zelfs landskampioen. Zomer kwam het publiek voor wielerspektakel, destijds een populair tijdsverdrijf. Zo vestigde de legendarische stayer Cees Stam in 1974 hier het werelduurrecord stayeren (bijna 83 km achter de derny). In 1970 gingen de profclubs DOS, Elinkwijk en Velox op in FC Utrecht. In de jaren 70 kwam echter ook het voetbalvandalisme op waartegen de Galgenwaard o.a. vanwege de wielerbaan niet tegen bestand was. Nieuwbouw werd noodzakelijk om de veiligheid van spelers en supporters te garanderen. Op 20 april 1981 speelde FC Utrecht de laatste wedstrijd tegen PSV (0-0) waarna de supporters alvast met de sloop van het oude stadion begonnen … Sinds het seizoen 1982/83 speelt FC Utrecht in de nieuwe Galgenwaard.

Stadion Galgenwaard in 1936. Nieuwe Kromhoutkazerne is nog niet gebouwd, rechtsboven is het natuurzwembad in de Kromme Rijn nog te zien. Linksboven is de Schildersbuurt nog deels tuindersgrond, linksonder is de Krommerijnwijk nog niet gebouwd. – Het Utrechts Archief
Bouw hoofdtribune in 1935 – Het Utrechts Archief
Opening door burgemeester Ter Pelkwijk 21 mei 1936 – Het Utrechts Archief
Supporters ‘helpen’ met de sloop na de wedstrijd FCU-PSV (0-0) op 20 april 1981 – Het Utrechts Archief

Politiepost Doustraat

Boven de entreepoort van het woonhuis Gerard Doustraat 4 zit een tegeltableau met de letters POLITIE. Het verwijst naar een oude politiepost in dit pand. Die werd in 1908 gebouwd om de bewoners van de snelgroeiende woonwijken rondom het Wilhelminapark te beschermen tegen ‘ongure types’ die rondhingen in dit (toen nog) donkere buitengebied van de stad.

Niemandsland
De Gerard Doustraat werd een zijstraat van de oude Vossegatsche Dijk, destijds de belangrijkste uitvalsweg richting Fort Vossegat en de geplande Kromhoutkazerne (geopend in 1913). Een strategische plek voor een nieuwe politiepost. Jarenlang woonden de bewoners van de statige Gerard Doustraat in niemandsland, want de huidige Schildersbuurt zoals de woningbouwverenigingen BANS, Elck Wat Wils, WBV Utrecht en Het Nieuwe Woonhuis werden pas na de Eerste Wereldoorlog gebouwd. Maar de luxe van een eigen politiepost maakte het veilig wonen, té veilig volgens met name de jeugdige bewoners, want elke vorm van kattenkwaad werd er door de dienders snel in de kiem gesmoord …

In 1963 werd de politiepost prikpost toen de dienders plaats maakten voor de vaccinatiezusters van de GG&GD. Nu is het een woonhuis en herinnert het tegelplateau aan het roemruchte verleden van de politiepost. Lees het hele artikel van bewoner Joyce Pennings uit 2008 in het verenigingsblad Oud Utrecht.

De politiepost met daarnaast het brandspuithuis, gebouwd in 1908 – Het Utrechts Archief 1940
Luchtfoto van Oost uit 1908 – Het Utrechts Archief
De andere politiepost in Oost, Hoogelanden op de Prinsesselaan, rond 1920 – Het Utrechts Archief

Woonhuis Van Ravesteyn

Op steenworp afstand van het beroemde Rietveld-Schröderhuis ligt nóg een architectonische parel: het woonhuis van architect Sybold van Ravesteyn (1889-1983), Prins Hendriklaan 112, aan de rand van Rijnsweerd. Het monument wordt sinds 2019 beheerd door Vereniging Hendrick de Keyzer als museumhuis. Delen van het jaar kun je er overnachten, in de rest van het jaar is het huis open als museum. Wat een verblijf zo bijzonder maakt: de inrichting uit de tijd dat van Ravesteyn er woonde, is nog grotendeels in takt.

Gewapend beton
Van Ravesteyn trad in 1921 als constructeur in dienst van wat tegenwoordig de Nederlandse Spoorwegen heet. Zijn eerste klus was de constructie van de Inktpot, het grootste bakstenen gebouw van Nederland. Later promoveerde hij tot huisarchitect van de spoorwegen. Hij bouwde veel stations (o.a. het oude Centraal Station van Utrecht), seinhuizen en depots, doorgaans van gewapend beton, een bouwmateriaal dat toen in opkomst was en waar hij veel kennis van had. Buiten het spoorwezen tekende hij ook voor de Diergaarde Blijdorp en theater Kunstmin in Dordrecht. Na de oorlog gingen veel van zijn (spoor)ontwerpen tegen de vlakte, vandaar zijn bijnaam: de meest gesloopte architect van Nederland.

Polderweg
In 1932 kreeg hij de kans om een eigen woonhuis aan de Prins Hendriklaan 112 te bouwen op een onbebouwd driehoekig kavel naast een rijtje traditionele jaren 30 huizen tegenover de Kromhoutkazerne. Het was een tip van Gerrit Rietveld, die wist dat zijn collega na zijn scheiding nieuwe woonruimte zocht. De laan ging daar over in een landweg richting de toen nog onbebouwde Johannapolder, tegenwoordig Rijnsweerd. Op het taps toelopende stuk grond paste geen standaard woning. Maar daar wist hij wel raad mee. 

Golven en krullen
Van Ravesteyn bouwde met bescheiden middelen een huis waarin het prettig was om te wonen én te werken. De kenmerkende gele bakstenen waren afdankertjes van de Spoorwegen. Hij experimenteerde ook met golvende lijnen en weelderig krullende vormen, geheel tegen de rechtlijnige principes in van het toen populaire Nieuwe Bouwen dat juist inzette op een moderne, zakelijke bouwstijl wars van niet-functionele vormen. Het streven naar licht-lucht-ruimte nam hij wél over, zoals te zien in de grote ronde erker. Hij combineerde ook verschillende functies (wonen en werken) in één ruimte. Bekijk de mini-documentaire voor meer uitleg.

Buurt: Rijnsweerd | kaart

Links het huis van Ravesteyn, bij de landweg richting Johannapolder, tegenwoordig Rijnsweerd – Het Utrechts Archief 1958
Utrecht Centraal Station in 1940 – Nationaal Archief