Vrouwen speelden een belangrijke rol in het verzet, maar kregen daar pas decennia later erkenning voor. Het cliché was lange tijd: mannen in lange regenjassen pleegden overvallen en liquidaties, vrouwen waren koerier, met uitzondering van Hannie Schaft. Pas later bleken ook vrouwen vele heldendaden te hebben verricht. Zoals in Utrecht Oost Truus van Lier, Trui van Lier en Marie Anne Tellegen (alias Dr. Max).
Talkshow in Podium Oost Tijdens de talkshow in Podium Oost op zondag 13 april 2025 waren verzetsvrouwen onderwerp van gesprek. Presentator Jessica van Geel, auteur van de biografie Truus van Lier, ontving aan tafel meerdere gasten waaronder historicus Ad van Liempt die een boek schreef over de Maliebaan in 1940-45. Ook kwamen nazaten van genoemde verzetsvrouwen aan het woord. Een boeiende middag over het leven in de jaren 40-45, de organisatie van het verzet in Utrecht en de late erkenning van verzetsvrouwen.
De talkshow – inclusief muzikaal intermezzo van Fenne Scholten – is als podcast in twee delen terug te luisteren via Spotify Oostkrant: Deel 1 en Deel 2
Ga voor meer informatie en verhalen over de jaren 1940-45 in onze wijk naar de overzichtspagina Oost in de Oorlog.
Links aan tafel historicus Ad van Liempt, rechts (staand) presentator Jessica van Geel en in het midden Michèle van Lier, achternicht van Trui van Lier. De vrouw links op de geprojecteerde foto is een jonge Trui van Lier met daarnaast haar neef, de grootvader van de wijzende Michèle van Lier – foto: Anneke EllerbroekDe band van Fenne Scholten speelde tijdens de talkshow muziek geïnspireerd door het thema Verzetsvrouwen – foto: Anneke EllerbroekJessica van Geel schreef de biografie Truus van Lier. Naast het tegenwoordige Rietveld-Schröderhuis staat een gedenkbord, omdat Truus het buurmeisje was van mevrouw Schröder – foto: Arnoud WolffAd van Liempt onthult samen met wethouder Eva Oosters een gedenksteen over de Maliebaan in 1940-45 – foto: Fred NuwenhuisAnneke Ellerbroek nam het initiatief voor een monument voor Marie Anne Tellegen alias Dr. Max en organiseerde ook de talkshow in Podium Oost over verzetsvrouwen – foto: Arnoud WolffDe grote speeltuin in het Wilhelminapark draagt sinds 2024 de naam Trui van Lier Speelkwartier – foto: Arnoud Wolff
Op de begraafplaats St Barbara staat bij de entree een monument voor de 52 Utrechters die na de oorlog sneuvelden in Nederlands Indië en Nieuw-Guinea. Het werd op 18 december 1999 onthuld door toenmalig burgemeester Annie Brouwer. Daar ging een heftige politieke strijd aan vooraf: een clash tussen veteranen en nabestaanden die naar een herdenkingsplek zochten voor hun gesneuvelde kameraden en familieleden, versus de lokale politiek. Die laatste was intern verdeeld over wat passend zou zijn nu de misstanden tijdens de politionele acties voor het grote publiek duidelijk waren geworden.
Verhaal áchter het monument Wijkgenoot Hans Versnel (1938-2026) is in Batavia geboren. Zijn vader werkte voor de Engelse koopvaardij en belandde in een Jappenkamp. Na de oorlog verhuisde het gezin terug naar Nederland. Voor zijn studie belandde Hans in Utrecht Oost, waar hij nog altijd woont. Hij werkte lange tijd op het stadhuis en raakte zo – mede door zijn Indische achtergrond – in de jaren 90 nauw betrokken bij de totstandkoming van het monument. Het is de periode dat burgemeester Opstelten werd opgevolgd door Annie Brouwer. Hans publiceerde later in 2008 het naslagwerk Klappermelk & Klompen met vertellingen door veteranen. Vooral het afsluitende interview met CDA-wethouder Ernst Haitsema geeft een spannend inkijkje in de politieke strijd destijds. Een interessante lezing voor wie het verhaal áchter het monument wil weten.
Naslagwerk over het monumentHans Versnel (1938-2026)
Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, op 22 november 1944, vond op aandringen van Prins Bernhard, toen opperbevelhebber van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (BS), een vergadering van belangrijke verzetsgroepen in Midden-Nederland plaats. Locatie: de toenmalige Kamer van Koophandel (KvK) Utrecht op de hoek Maliesingel – Nachtegaalstraat. Deze verzetsgroepen zouden opgaan in de BS. Doel van de vergadering was om de steun aan hun nieuwe BS-commandant Albert Krikke expliciet te bevestigen. De leiders van de verzetsgroepen waren namelijk niet gewend om een baas boven zich te hebben.
Wonderbaarlijke ontsnapping Door een ongelukkig toeval krijgen de Duitsers lucht van deze vergadering. Ze vallen het gebouw binnen, arresteren en mishandelen een aantal van de aanwezigen. Twee verzetsmensen weten met hulp van een ladder op wonderbaarlijke wijze te ontsnappen. De zeven anderen plus een aantal handlangers worden opgepakt en afgevoerd. Een poging van het verzet om vier van hen te bevrijden uit de Kazerne Willem III in Apeldoorn mislukt al in de verkenningsfase. Daarop vermoorden de Duitsers als strafmaatregel vier betrokkenen en sterven drie anderen in andere kampen.
Gedenksteen In 1946 onthulde de Kamer van Koophandel een gedenksteen gemaakt door de Utrechtse beeldhouwer Pieter d’Hont (1917-1997) met de namen van zeven slachtoffers van dit drama. Vanwege verhuizingen van de instantie lag de marmeren plaat lange tijd in een depot. In 2024 werd hij opnieuw ingemetseld in de buitengevel en onder aanwezigheid van vele familieleden van de betrokken verzetsmensen op 4 mei 2024 onthuld.
Meer informatie Buurtgenoot en historicus Niels Bokhove zocht het hele verhaal tot in detail uit. Wat gebeurde er precies die dag? Hoe wisten de Duitsers wat er op handen was? En vooral: hoe konden twee verzetsmensen na twee dagen ontsnappen ondanks dat de Duitsers het pand minutieus uitkamden? Lees meer op de speciale webpagina inclusief het persoonlijke relaas van ‘ontsnapper’ Maarten Cieremans.
Onthulling op 4 mei 2024 onder grote belangstelling. Rechts staat tegen de gevel de befaamde ladder. – Foto: Arnoud WolffKamer van Koophandel eind 1945 – het Utrechts ArchiefGedenksteen van Pieter d’Hont – Foto: Arnoud Wolff
Elk jaar leggen leden van het 4 en 7 mei comité een krans bij het oorlogsmonument aan de Prinses Marijkelaan, het straatje tussen het Wilhelminapark en het Rosarium. Het monument bestaat uit een grote steen, met daar omheen tien groepjes van vier straatkeien. Op een (groene) koperen plaquette staan de namen van tien buurtgenoten die in de ochtend van 7 mei 1945 slachtoffer werden van de schietpartij nabij het Rosarium, slechts luttele uren voordat de bevrijders Utrecht binnenreden.
Op zoek naar Anton Mussert? Nederland viert op 5 mei 1945 de bevrijding van het Duitse bezetting, maar pas op 7 mei was Utrecht aan de beurt. Luttele uren voordat de bevrijders – de Brits/Canadese Polar Bears – die dag via de Berekuil de stad zouden binnenrijden, ging een groepje Binnenlandse Strijdkrachten (BS) op pad om (waarschijnlijk) de lijfwacht van NSB-leider Anton Mussert op het hoofdkantoor van de NSB aan de Maliebaan te ontwapenen. Mussert zelf zat al gevangen in Den Haag. Hij woonde aan wat in de oorlog Nassaulaan heette (gelijk de Duitsers het naburige Wilhelminapark Nassaupark noemden), maar nu de Prinses Marijkelaan is.
Bloederig slagveld Bij de Nassaulaan klonk plots een geweerschot. Een groep Duitse SS-soldaten, die wachtte op hun aanstaande ontwapening door de Polar Baers, schoten direct met scherp op de groep BS’ers in de veronderstelling dat de kogel van hen afkomstig was. Ook het luchtafweergeschut op St Barbara begint te vuren (kogelgaten van de afzwaaiers zitten nog in de gevel van Stolberglaan nr 19).
Tien leden van de BS overleden ter plekke, kansloos, twee (Hans van Ameijde en Erich Buchmann) wisten te overleven door zich te verschansen achter een tuinmuurtje. Zo werd de omgeving rond het Rosarium vlak voor de bevrijding alsnog een bloederig slagveld.
Wat gebeurde er precies? Hoewel al in 1947 het monument werd onthuld – onbekend is door wie – blijft veel onduidelijk over de precieze toedracht. Wie loste het eerste schot? Welke opdracht had de groep BS’ers? Welke rol speelde de dienstbode van Mussert? Feit is dat er na de oorlog weinig over gesproken is, mede omdat Prins Bernard het geen ‘reclame’ vond voor het verzet, het was té pijnlijk. Er gaan meerdere verhalen de ronde. Bekijk bijvoorbeeld de korte reconstructievideo van RTV Utrecht, of lees de speech (2025) van 4 en 7 mei comité voorzitter Youri van Dorssen. Of lees de ingezonden reactie van een nazaat.
In 2026 sprak Youri van Dorssen in de podcast van de Oostkrant over het Rosariumdrama.
In elk kroonjaar legt de burgemeester een krans bij de zwerfkei – foto: Arnoud Wolff
Het monument voor de tien slachtoffers is op 5 mei 1947 onthuld. Het bestaat uit een grote zwerkei met daaromheen tien groepjes straatkeien. Op het namenbord ernaast staat: ‘Op 7 mei 1945 gevallen’ met de namen van de tien slachtoffers: Cornelis Aaldrik de Bode (geb. 6 april 1913 te Rotterdam), Johannes Theodorus van den Hurk (geb. 14 januari 1907 te Utrecht), Paulus Adrianus van den Hurk (geb. 14 oktober 1905), Pieter Adriaan Willem Laseur (geb. 5 maart 1917 te Utrecht), Johannes Franciscus Marie Meurs (geb. 6 februari 1918 te Amsterdam), Jan Philip Marius Muus (geb. 5 april 1919 te Utrecht), Gerard Hoogewerff (geb. 29 oktober 1918 te Utrecht), I. Wessel, Robert H.M. Regout (geb. 5 augustus 1917 te Utrecht) en Petrus J. Wefers Bettink (geb. 13 december 1921 te Utrecht).
Plaquette met de tien namen van slachtoffers – foto: Arnoud WolffEen groep Binnenlandse Strijdkrachten voor het huis Hendrik de Keizerstraat 45, daags voor de schietpartij bij het Rosarium. Daarbij kwamen 10 van hen om het leven – Het Utrechts ArchiefEen andere lezing van het dramaKogelgaten in de gevel van nabijgelegen Stolberglaan nr 19Op 11 mei 1945 sprak onder grote belangstelling dominee Oberman tijdens de uitvaart van de tien slachtoffers op begraafplaats Tolsteeg – foto: het Utrechts Archief
Student Trui van Lier (1914-2002) startte in de oorlog een kinderopvang met de naam Kindjeshaven op de Prins Hendriklaan 4 (inmiddels gesplitst in nr 4 en 6 waarin nu ijssalon Vorst zit), vlakbij het Wilhelminapark. Samen met haar medewerker Jet Berdenis van Berlekom wist ze zo 150 Joodse kinderen veilig door de oorlog te loodsen. Een verzetsdaad zonder een schot te lossen.
Eerst vertrouwen wekken In de jaren dertig nam het Joodse gezin Van Lier aan de Willem de Zwijgerstraat al joodse vluchtelingen uit Duitsland op. Trui, student en lid van UVSV (ze was praeses in 1937/38), hoorde van hen over baby’s en peuters van opgepakte Joodse gezinnen in Duitsland die aan hun lot werden overgelaten of zelfs ernstig mishandeld. Daarom begon ze in het najaar van 1941 een kinderopvang met de naam Kindjeshaven. Het was een van de eerste crèches in ons land! De gediplomeerde kinderverzorgster Jet Berdenis van Berlekom (1920-2010) trad bij haar in dienst. Eerst vingen ze kinderen op van de gegoede burgers uit de buurt om vertrouwen te wekken bij de bezetter. Later kwamen er kinderen via officiële instanties als voogdijraad, kinderpolitie en kinderziekenhuis. De crèche groeide gaandeweg uit tot een kinderpension met een goede naam.
Samenwerking met studentenverzet Een jaar later volgden de kinderen waar het Trui écht om te doen was: die van (Joodse) onderduikers die met een (huilende) baby niet bij een onderduikadres konden aankomen, of van Joodse ouders die opgepakt en gedeporteerd waren. Vanaf 1943 nam het aantal opgevangen kinderen van Joodse komaf toe tot meer dan de helft, mede omdat Kindjeshaven nauw ging samenwerken met de studentenverzetsgroep Het Utrechts Kindercomité. Trui en Jet regelden vervolgens voor de kinderen een (adoptie)plek elders in de wijk.
Levensgevaarlijk Zoveel kindjes met Joods uiterlijk begon op te vallen in de buurt. En dat was levensgevaarlijk, omdat in de nabijgelegen Kromhoutkazerne (nu bacheloronderwijs University College) en rondom het Wilhelminapark veel Duitsers en nsb-ers waren ingekwartierd. Soldaten marcheerden dagelijks over de Prins Hendriklaan! Tóch wisten Trui en Jet de opvang met goede organisatie, vlotte babbel en vooral grote moed open te houden. En ze hadden een belangrijke troefkaart: ze vingen ook kinderen op die buitenechtelijk verwekt waren door Duitsers. Als de Duitse vader naar het oostfront moest, ging de voogdij tijdelijk over naar de Ortskommandant, de hoogste in rang in Utrecht. Die was maar wat blij dat Kindjeshaven zijn opgedrongen opvangprobleem oploste …
Het einde Trui woonde met haar verloofde en verzetsman Joost in Zeist, maar ook daar vonden razzia’s plaats. Het stel besloot daarom eind 1944 te verkassen naar Culemborg. Trui liet de dagelijkse leiding van Kindjeshaven toen over aan Jet. Die besloot begin 1945 de deuren te sluiten wegens een ernstig tekort aan elektra, stromend water en verzorgingsproducten als zeep. Naar verluid hebben Trui en Jet met hun opvang meer dan 150 kinderen kunnen redden.
Meer over Kindjeshaven Bekijk de indringende en zeer informatieve film over Trui, Jet, Kindjeshaven en de verzetsgroep Het Utrechts Kindercomité, met de titel Omdat hun hart sprak. Journalist Ellen Visser schreef een artikel in de Volkskrant. Beluister ook de podcast met Jim Terlingen, schrijver van het boek Trui van Lier.
Eerbetoon aan Trui Op initiatief van achternicht Michèle van Lier kreeg ook Trui een bloemenmonument. Daarvoor zijn 3.000 boshyacinten in de vorm van de letters ‘Trui’ in het talud van de Koningslaan geplant. Ieder voorjaar zal haar naam blauw opbloeien, goed zichtbaar vanuit het Wilhelminapark. De speeltuin is in april 2024 officieel hernoemd tot Trui van Lier Speelkwartier, toepasselijk, omdat ze graag met de kindjes in het park speelde. Dankzij crowdfunding kreeg de speeltuin twee sierpoorten met haar naam in gouden letters, met bovenop een groot hart van goud. Een spoor van 150 gouden hartjes verbindt de speeltuin met de oude kinderopvang aan de Prins Hendriklaan. Bloemen, speeltuin vormen één groot monument om de naam Trui van Lier levend te houden.
Familie van Truus Trui is een oudere nicht van de bekende verzetsvrouw Truus van Lier (1921-1943) die in 1943 de foute politiechef Gerard Kerlen doodschoot. Die werd snel daarna opgepakt en stierf voor het vuurpeloton. Als eerbetoon staat voor haar ouderlijk huis naast het Rietveldschröderhuis een gedenkbord. Langs de Singel herinneren een bloemenmonument en een standbeeld aan de verzetsdaad van Truus. Daarnaast schreef Jessica van Geel in 2022 een biografie over Truus.
Getuigenis van Ans Diderik Mijn moeder stuurde mijn broertje Dick naar Kindjeshaven. Toen op enig moment ging er nog een jongetje Eli mee naar huis en ik moest toen een verklaring hebben voor mijn vriendinnetjes – ik was 7! Mijn moeder vertelde mij dat zijn vader soldaat was, gewond geraakt in Duitsland en zijn moeder ging daarheen. Zo kwam Eli bij ons in huis. Gedurende de oorlog gingen wij naar opa en oma in Enschede en dan werd in de trein wel eens gezegd “wat lijkt dat jongste kind op zijn moeder – net zulke bruine ogen!” Mijn moeder zal het nog wel eens benauwd gehad hebben, want ikzelf was nogal een flapuit! Toch heb ik nooit gezegd “Dat is mijn broertje niet”. Na de oorlog kwam zijn oom, die in het Amerikaanse leger diende, hem ophalen en gingen zij naar Israël. Mijn moeder vond dat vreselijk maar begreep het ook wel. Begin jaren tachtig is hij hier op bezoek geweest. Wijlen mijn broertje Dick, mijn schoonzus en ik vonden hem toen een onsympathieke macho geworden (andere cultuur?). Evengoed na vele jaren geen contact, belde hij mij op mijn 90e verjaardag toch weer op!
Trui van Lier (l) en Jet Berdenis van Berlekom (r) – het Utrechts ArchiefDe kindjes van Kindjeshaven spelen in het Wilhelminapark – Het Utrechts ArchiefDuitse soldaten marcheerden dagelijks vanaf de kromhout Kazerne over de Prins Hendriklaan naar het Wilhelminapark, dus ook langs Kindjeshaven. – Het Utrechts Archief Pagina uit de folder die onderzoeker Jim Terlingen vond in het archief van Joods Museum in AmsterdamBloemenmonument (3.000 boshyacinten) – foto: Arnoud WolffSierpoort Trui van Lier Speelkwartier dankzij crowdfunding – foto: Arnoud WolffOnderdeel van het monument is een hartjesroute van het oude Kindjeshaven naar de speeltuin, het Trui van Lier Speelkwartier. De 150 hartjes staan voor het aantal geredde kinderen. Het dubbele hartje herdenkt de joodse tweeling Deetje en Joeki die bijna de hele oorlog in Kindjeshaven zijn verzorgd – foto: Arnoud WolffEen nieuw gevelbord waar ooit Kindjeshaven zat (nu een ijssalon), onthuld door twee kinderen die de oorlog overleefden: Siny Thuis-Natkiel (1941) en Peter Hein (1939). Rechts op de foto initiatiefnemer Michèle van Lier. Links het bedankbord met alle donateurs en sponsoren – foto: Arnoud WolffTrui van Lier was in 1937-38 voorzitter van de UVSV, daarom hangt het bestuur van de studentenvereniging elk jaar een krans aan het gedenkbord aan de gevel Prins Hendriklaan 4 – foto: Arnoud Wolff
Homeruslaan 30 kent een rijke geschiedenis. In Oost is het winkelpand vooral bekend als snackbar (Friends tot aan 2024). In de oorlogsjaren zat er een sigarenzaak, met in de kelder een geheime, nooit ontdekte telefooncentrale van het verzet. Prins Bernard bezocht het pand direct na de bevrijding en sprak tegen de verzetsmensen over ‘onschatbare verdiensten voor het Vaderland’.
Nooit ontdekt De wieg van Ingrid Steenbeek (in 1958 geboren in de Emmakliniek) stond in het woonhuis achter de winkel. “Mijn tante Besseltje (Bes) van Beek (1901-1993) begon als 14 jarige als dienstmeisje en behaalde later in de avonduren haar middenstandsdiploma. Vervolgens opende ze hier een sigarenzaak. In de oorlog mocht het verzet in de grote kelder een telefooncentrale, diverse radioapparatuur en een drukpers neerzetten. Ondanks de vele Duitsers die in de zaak hun dagelijkse rookwaren kochten, werd de kelder nooit ontdekt, zelfs niet tijdens meerdere invallen.”
Onlogische plattegrond “Het winkelpand zat namelijk complex in elkaar, met een woonhuis achter de winkel die je via een lange gang bereikte. De kelderdeur zat halverwege de gang, ter hoogte van het portiek in de Lindestraat, de opgang voor de bovenburen. Tijdens invallen zochten de Duitsers overal, maar op deze plek direct achter het portiek verwachtten ze geen binnendeur, laat staan een trap naar beneden. Duitsers hadden namelijk geen idee dat dit soort panden ook een kelder konden hebben.”
Dekmantel “Wél een probleem was dat winkel en achterhuis één en dezelfde ingang hadden. Het geregelde avondbezoek van telefonisten, drukkers en koeriers viel natuurlijk wel op, zeker bij de nieuwsgierige nsb-ers in de straat. Een soort van dekmantel was dat buurtgenoten ook buiten openingstijden bij de zaak konden aankloppen voor sigaretten of sigaren. En ook de kostgangers van de kamer die ze verhuurde, liepen in en uit. Bezoek was dus niet per definitie verdacht. Mijn tante vertelde ook dat de Duitsers dol waren op gratis snoep, koek en rookwaar. Dus ze relaxten liever in de winkel dan dat ze heel fanatiek gingen zoeken naar onderduikers en verzet.”
Gezellige buurtwinkel “Na de oorlog kende de stad grote woningnood, daarom woonde ons gezin in bij mijn tante. Ik herinner me een gezellige buurtwinkel. De toonbank stond links. Rechtsachter was een gezellig zithoekje voor koffie (’s ochtends) of thee (’s middags). Daar werd wat afgekletst! Doordeweeks was de zaak eigenlijk de huiskamer, alleen op zondag ontvingen we bezoek in het achterhuis. Toen mijn tante met pensioen ging, wilde ze dolgraag een opvolger in de zaak die eigenhandig had opgebouwd. Het werd een snackbar, maar ook die had veel aanloop uit de buurt.”
Prins Bernard bezocht na de bevrijding de sigarenzaak op Homeruslaan 30 en bekeek de geheime telefooncentrale in de kelder – foto: Het Utrechts Archief Besseltje (Bes) van Beek (1901-1993) in haar sigarenzaak – foto: familiearchiefPlattegrond van de winkel met achterhuis. Deur naar de kelder zat achter de portiek (dubbele witte streep). De keldertrap liep (ingenieus) onder de portiektrap naar beneden
Schrijver en historisch onderzoeker Jim Terlingen, een bekend gezicht in Abstede, heeft een fascinatie voor wat er met joden, met name in Utrecht, in de oorlog is gebeurd. In zijn nieuwste boek (358 pagina’s) beschrijft hij in detail de rol van de Joodse Raad in Utrecht, en hoe die – noodgedwongen – samenwerkte met gezag, politie en jodenjagers bij het deporteren van joden.
Feiten boven tafel Jim heeft een reputatie met grote vasthoudendheid feiten en verhalen boven water te krijgen die lang verborgen of onbekend waren. Uitkomsten van zijn onderzoeken liggen dikwijls gevoelig, want het betreft een zwarte bladzijde in de 900-jarige geschiedenis van onze stad. Zo zijn meer dan 1.200 joden (van de ongeveer 1.600) gedeporteerd via het Maliebaanstation, tegenwoordig Spoorwegmuseum. Hij heeft uitgeplozen of al hun namen op het Joods Monument uit 2015 bij het Spoorwegmuseum wel kloppen, en of er namen ontbreken of juist onterecht vermeld zijn. Met een voor de makers pijnlijke, maar noodzakelijke rectificatie als gevolg.
Joodse Raad De Duitse bezetter eiste een aanspreekpunt vanuit de joodse gemeenschap, en daarom richtte een aantal joodse notabelen in november 1941 de Joodse Raad Utrecht op. Die speelde een grote rol bij de eerder genoemde deportaties. Vreemd genoeg is er volgens Jim weinig over deze afdeling van de Joodse Raad gepubliceerd: “Er is een boek uit de jaren ’80 waarin werking en samenstelling summier beschreven staan. Over de Amsterdams (hoofd)afdeling is veel meer bekend. Sowieso is in Utrecht veel informatie uit de oorlog verloren gegaan. Zo is het politiearchief uit die tijd spoorloos. Ik heb veel tijd en energie bestoken in het achterhalen van namen, data en gebeurtenissen inclusief verslagen van ooggetuigen.”
Krentenbollen voor onderweg “Een voorbeeld van zo’n feit is dat de Joodse Raad bij de twee massale deportaties in 1942 aan de joden die hier op het stationsplein in de rij stonden, krentenbollen meegaven voor onderweg. Natuurlijk met de beste bedoelingen, maar omdat wij de eindbestemming kennen, komt het bizar over. In mijn boek beschrijf ik hoe dat er aan toe ging op dit plein: het vormen van rijen, de mix van onwetendheid, angst en hulpeloosheid. Met o.a. een ooggetuigenverslag van een aanwezige politieman. Ik wil van joden, die vaak slechts als slachtoffergroep aangeduid worden, weer mensen, stadsgenoten, maken. Daarom zoek ik ook in dit boek vooral naar feiten, hoe pijnlijk en ongemakkelijk die ook kunnen zijn. Het duiden en oordelen laat ik aan anderen.”
Jim Terlingen schreef een boek over de Joodse Raad in Utrecht – Arnoud Wolff
Verzetsvrouw Truus van Lier (1921-1943) schoot op 3 september 1943 de hoofdcommissaris van politie Gerard Kerlen dood die op het punt stond een grote groep Utrechtse joden en verzetsmensen op te pakken. Niet veel later werd de jonge rechtenstudent verraden en voor het vuurpeloton gezet.
Opgegroeid in Oost Geertruida (Truus) van Lier groeide op in het huis naast het Rietveld Schröderhuis waar nu het ticketoffice van het Centraal Museum in zit. Na haar schooltijd aan het Christelijk Lyceum in Zeist ging ze rechten studeren in Utrecht. Via haar studentenvereniging UVSV (door de bezetter aangemerkt als verboden organisatie) werd ze lid van de Amsterdams verzetsgroep CS-6. Die vervoerde in het geheim wapens, deed undercover operaties, bracht onderduikers in veiligheid en voerde aanslagen en liquidaties uit.
Aanslag op politiechef Op 3 september liep ze vlakbij de Catherijnesingel de Utrechtse hoofdcommissaris van politie en NSB-er Gerard Kerlen tegemoet, en schoot hem dood. Met de aanslag wilde ze voorkomen dat Kerlen, die bekend stond als fanatiek jodenjager, nog meer onderduikers zou laten oppakken. Na de aanslag vluchtte ze, dook onder in Haarlem, maar werd – met een prijs van maar liefst 10.000 gulden op haar hoofd – al snel verraden door Irma Seelig die (letterlijk) in de tang zat van de Duitse Sicherheitsdienst. Truus werd overgebracht naar de gevangenis aan de Gansstraat. Omdat de bezetter uit angst voor opstand geen vrouwen op Nederlandse bodem wilde fusilleren, werd voor haar – zo stond in een persbericht – een ‘passende oplossing’ bedacht: op 27 oktober 1943 werd ze in Duitse kamp Sachsenhausen terechtgesteld.
Biografie Schrijver (en buurtgenoot) Jessica van Geel schreef in 2022 een boek over de dappere verzetsvrouw die opgroeide in Oost. In 2018 publiceerde ze al een biografie over Truus Schröder, eigenaar van het Rietveld Schröderhuis en destijds de buurvrouw van Truus van Lier. “Mevrouw Schröder repte in briefwisseling met familie over haar buurmeisje Truus dat vaak met haar drie jaar oudere zus Miek bij haar thuis speelde en later, na de aanslag in 1943, gesprek van de dag werd. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid: wie was dat heldhaftige buurmeisje? Het was in de oorlog zeldzaam dat vrouwen het gewapende verzet ingingen. Veel mensen kennen het verhaal van verzetsstrijder Hannie Schaft door de film en het boek. Maar we weten nu dat Truus van Lier haar aanslag pleegde vóórdat Hannie Schaft de wapens trok. Misschien was ze wel de eerste vrouw die in haar eentje een liquidatie uitvoerde.”
Gedenksteen en struikelsteen Burgemeester Sharon Dijksma onthulde op 22 april 2021 een gedenkbord bij het geboortehuis, honderd jaar na de geboorte van Truus van Lier. “Een vrouw met ballen”, zo sprak ze in haar toespraak. In de stoep voor het huis werd door achterneef Hans van Lier ook een Stolperstein (struikelsteen) gelegd als onderdeel van het wereldwijde gedenkmonument van kunstenaar Gunter Demnig.
Audiotour De verhalen van Truus en haar nichtje Trui, ook actief in het verzet (ze runde o.a. de crèche Kindjeshaven verderop aan de Prins Hendriklaan 4), inspireerde theatermaker Frédérique Donker om een audiotour te maken langs de plekken in Utrecht die herinneren aan hun verzetsdaden. De wandelroute is ongeveer 4 km lang. Startpunt is het gedenkbord van Truus naast het Rietveld-Schröderhuis, eindpunt het narcissenmonument langs de Catherijnesingel.
Schrijver en histroicus Jessica van Geel – Arnoud Wolff
In de hal van Stolberglaan nr 1 hangt aan de wand een bijzonder keramiek: de Schaal van De Lerma. Deze pronkschaal is in 1945 gemaakt door de Italiaanse kunstenaar Luigi De Lerma (1907 – 1965) in opdracht van een aantal bewoners van de Stolberglaan. Die schonken het kunstwerk vlak na de oorlog aan hun buurman op nr 1, dhr Herold, als dank voor de gastvrije opvang op een hachelijk moment in het eerste oorlogsjaar.
Evacuatie in 1940 Nadat in 1940 de Grebbelinie viel, verplaatste generaal Winkelman de vaderlandse verdediging naar de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Die liep vlak langs Oost. Wie in de schootsvelden van de forten woonde moest om veiligheidsredenen direct vertrekken. Zo ook de bewoners aan de Stolberglaan. Voor buren die zo snel geen onderdak vonden bij familie of vrienden, had dhr Herold van nr 1 een oplossing: ze konden verblijven aan de Kromme Nieuwegracht bij Neerlandia, uitgever van o.a. de Utrechtsche Courant. Hij was daar directeur. Toen ons land na het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 de witte vlag hees, konden de bewoners ongedeerd weer terug naar de Stolberglaan.
Onderduiken in de kruipruimte Overigens is de Stolberglaan nóg een keer ontruimd. In 1943 vorderde de bezetter de huizen 1 t/m 39 als dienstwoningen. Op de nabijgelegen Maliebaan hield een groeiend aantal Duisters kantoor, waarvoor ook woonruimte nodig was. De Stolberglaan was in trek, want modern (bouwjaar 1930) en makkelijk te beveiligen. Het begin en einde van de straat kregen prikkeldraadversperring en wachtposten. Op St Barbara werd luchtdoelgeschut (Flak) geplaatst als extra verdediging. Ondanks de alom aanwezige Duitsers en fanatieke nsb’ers als Arie Godijn op nr 47, vonden jongemannen die wilden ontkomen aan de Arbeitseinsatz in de kruipruimtes onder de huizen een veilig heenkomen. Vanwege de open spaarbogen in de fundering konden ze zich namelijk onbespied bewegen onder de huizen.
Weer thuis In 2011 kwam de schaal na een verblijf vol goede zorgen op nr 25 (bij bewoner Paula Struick) weer terug op nr 1. Het keramiek geldt als collectief bezit van de straat. De nieuwe bewoner van het hoekhuis heeft ‘m een mooi plekje gegeven, een blijvende herinnering aan een donkere, maar ook saamhorige tijd.
Het hele verhaal van de schaal is in 2011 tot in detail opgeschreven door straatgenoot Rudo den Hartog.
De schaal hangt / staat bij de oudste straatbewoner
“Dit is m’n kans!” De ogen van Riek Hoefsmit (98 jaar) lichten op, als ze terugdenkt aan het krantenartikel dat ze in 2019 onder ogen kreeg. “Ik las dat een aantal scholieren van het Bonifatiuscollege onderzoek deed naar in de oorlog gedeporteerde Utrechtse Joden. De leerlingen wilden via crowdfunding struikelstenen plaatsen ter nagedachtenis aan deze families. Ik moest onmiddellijk denken aan de familie Meijers, die destijds in de Paulus Potterstraat woonde. Wat zou het mooi zijn als er voor de deur van hun toenmalige woning óók twee struikelsteentjes geplaatst konden worden.”
Schoenen afleveren Riek woont nog altijd in Utrecht Oost. Ze is een dochter van wijlen Johan Peer, die jarenlang een schoenmakerij had op de Jacob van Ruisdaelstraat. Toen op nr. 80, na de hernummering 112 (zie archieffoto). Daar start haar herinnering aan de familie Meijers. “Ik weet nog heel goed dat ik een paar schoenen moest afleveren, een klusje dat ik vaker deed voor mijn vader. Ik was toen een jaar of 16. De familie was een goede klant. Mevrouw Meijers deed open. Ik herinner het me zo goed, omdat ik onhandig het kleingeld liet vallen. Niet veel later moest de familie vluchten en besefte ik dat ze de schoenen wellicht zelden gedragen zullen hebben.”
Familie moet vluchten De familie Meijers bestond uit vier personen. Vader Lion en moeder Renée, de dochters Lya en Elly. Op 18 april 1943 (de dag nadat Lya 7 en Elly 4 jaar geworden waren), werden de meisjes bij hun ouderlijk huis opgehaald door het echtpaar Jan en Wilhelmina van Hilten (uit Utrecht), goede vrienden van hun ouders. Er werd gezegd dat ze een paar dagen weg zouden gaan en dat ze hun ouders daarna weer zouden ontmoeten. Maar dat is nooit meer gebeurd …
Gevaar rond de Maliebaan Achter op de fietsen van het echtpaar werden de meisjes naar hun eerste veilige adres gebracht bij de weduwe Ridder-den Hartogh op de Ramstraat. Zij bestierde er een pension. Een gevaarlijke plek zo vlakbij de Maliebaan met alle nazi hoofdkwartieren. Het stikte in de buurt van de Duitsers. Daarom bracht ze de zusjes elders onder: Lya bij een doktersgezin in Amersfoort en Elly bij haar eigen dochter Wijntje Griffioen-Ridder, op een boerderij bij Baambrugge.
Onafscheidelijk Hun ouders, Lion en Renée Meijers, vluchtten in 1943 naar Brummen, hun geboortedorp. Zij vonden er een onderduikadres. Daar werden ze voor 7,50 (gulden) per ‘hoofd’ verraden door een meisje dat verkering had met een Duitser. In 1944 zijn ze – gescheiden van elkaar – in een concentratiekamp vermoord, respectievelijk 36 en 30 jaar oud. Pas na de oorlog zagen de zusjes Lya en Elly elkaar weer. In de jaren 50 emigreerden ze naar Amerika. Ze zijn onafscheidelijk tot op de dag van vandaag.
Struikelstenen geplaatst Riek vertelt verder: “De oproep voor de crowdfunding bracht alles weer naar boven. Ik heb een persoonlijke brief geschreven en ben langs de deuren van de Paulus Potterstraat gegaan met het verzoek om mee te doen met de crowdfunding, opdat de struikelstenen gelegd konden worden. Heel fijn dat het gelukt is. Ik had rond die tijd ook een zeer waardevol contact met het Bonifatiuscollege, de leerlingen en een aantal bewoners van de Paulus Potterstraat.
Reactie vanuit Amerika Tot mijn grote verrassing werd ik op een dag vanuit Amerika opgebeld door een enthousiaste en ontroerde Lya Frank-Meijers. Zij had gehoord dat er bij het huis van haar ouders op de Paulus Potterstraat – ter herinnering aan hen – struikelsteentjes geplaatst zouden worden. Met Lya en Elly (in Californië) heb ik sindsdien nog geregeld contact.”
Zoon Bart van de familie Griffioen heeft het hele onderduikverhaal van Elly en Lya meeslepend opgeschreven.
Update: Mevr Hoefsmit is op 7 november 2023 overleden.
Mevrouw Hoefsmit bij de struikelstenen voor de familie Meijers in 2019Mevrouw Hoefsmit samen met Elly en Lya – foto Marijke Hoefsmit 2019Een interview met Elly en LyaSchoenmakerij Peer op de Jacob van Ruisdaelstraat 80 (nu 112) – foto: archief familie Hoefsmit @1953