Categoriearchief: columns

Margriet Oostveen

Het begon zo goedgemutst, deze buurt zou dit varkentje wel eens even wassen! Konden we nog net de zomervakantie in Italië halen! Nou ja, dat mislukte dus. Je hebt daadkrachtig taarten gebakken, geklust en getuinierd, alle puzzels gelegd. Mensen die weinig tegenslag kennen noemden volhouden soms een ‘state of mind’, maar die blijkt weer eens zeer relatief. De meesten van ons zaten niet eens echt opgesloten, we zijn alleen maar opgesloten in ons leven. De rest hangt af van je omstandigheden.

Harry bij mij in de straat heeft als zelfstandig manueel therapeut een contactberoep. Zat zonder inkomsten, maar vroeg geen overheidssteun zolang anderen die harder nodig hebben. Harry hielp lokale ondernemers vooruit, door bestellingen op te nemen bij de thuiswerkers en die dan te bezorgen. Of neem Miranda, eigenaar van kapsalon Blitzz op de Van Ostadelaan. Regelde jarenlang met ondernemersvereniging Puur Oost de leuke dingen voor de buurt, van bloembakken tot Rietveld-stoel. Toen werd haar situatie rampzalig. Miranda maakte doe-het-zelf-pakketjes met haarverf, voor carrièrevrouwen die niet met uitgroei willen video-vergaderen. Ze verzette afspraken en verzette ze nog eens. Omdat het de kunst is om de moed erin te houden.

En vaak dacht je: is dit allemaal echt? Op Bevrijdingsdag trok door de Jan van Scorelstraat opeens een toeterende autodemonstratie met vlaggen en folders: tweehonderd complotdenkers tegen de coronamaatregelen, keurig begeleid door politie. Voordat we van de verbazing bekomen waren, reden ze de stad alweer uit. Nu dan voorzichtig voorwaarts. Een jongetje ligt zich in het park nog steeds genietend te vervelen. Om hem oefenen ook volwassenen hun tempo aan te passen. Anderen ruimte te geven. We kunnen weer, in kleine stapjes. Dat valt niet mee, maar het is misschien te leren. Dit duurt nog even.

Margriet Oostveen (51) is verslaggever en columnist bij De Volkskrant. Zij woont sinds 1999 in de Schildersbuurt.

Deze column verscheen in de Oostkrant van juni 2020

Marja Oosterman

Een hond kun je om verschillende redenen ‘hebben’. Voor mij is bewegen een belangrijke. Heerlijk samen lange wandelingen maken, liefst in de natuur. Voor een hond is dat pas echt leuk als hij los mag lopen. Dat mag helaas op steeds minder plaatsen, en in de stad is loslopen helemaal een zeldzaamheid. Oost is een van de betere wijken om met je hond te wandelen. Je bent zo bij de Kromme Rijn, over het jaagpad mag een hond lange stukken loslopen tot voorbij Bunnik. Langs de singels in het Zocherpark kun je met je loslopende hond een stevige wandeling maken van de Stadsschouwburg tot bijna aan het station. Daarnaast is er nog wandelgroen in het Wilhelminapark en Bloeyendael, waar je hond wel aan de lijn moet.

Met het vaker aanlijnen van honden is de kennis bij stadsgenoten hoe om te gaan met een loslopende hond wel afgenomen. Hond en baas moeten daar rekening mee houden en dat vergt veel kennis en vaardigheden. Ervaren hondenbaasjes met goed getrainde honden weten in Oost enkele sluiproutes en paadjes waar ze de hond graag stiekem los laten lopen, met het risico van €104 boete. Maar ja, honden lopen graag in hun eigen tempo van het ene naar het andere plekje om daar te snuffelen.

Oost heeft een paar hondenspeelweides. Vooral jonge honden kunnen hier heerlijk met elkaar dollen en rennen. De baasjes bewegen er helaas weinig, maar voor de sociale contacten zijn de weides heel geschikt. Toch pleit ik al jaren voor meer loslooppaden in de stad, waar honden en hun baasjes vrijuit kunnen bewegen. Dat is beter voor de gezondheid van hond én baas.

Marja Oosterman is publiciste en woont sedert 1983 in Oudwijk. Over (haar) leven met honden schreef ze het boek ‘Ja..? Oh!’ Over haar huidige hond, Baba, schrijft ze verhaaltjes op www.jaoh.nl

Deze column verscheen in de Oostkrant van maart 2020.

Martin de Vries

Net 60 jaar geworden besloot ik om een deel van de Camino, de beroemde pelgrimstocht naar Santiago de Compostella, te lopen. Met een kleine camera legde ik onderweg vooral mijn beweegredenen om op pad te gaan vast. Over de tocht zelf van 70 dagen kan ik kort zijn: een geweldige, vooral zintuigelijke ervaring.

Na thuiskomst liet ik de video’s onberoerd. Ik wilde het ‘normale’ leven weer oppakken en alle indrukken verwerken.

Pas na drie maanden bekeek ik de beelden terug. Vreemd! Ik zag een man, een wandelaar, die maar doorloopt en zijn ervaringen onder woorden probeert te brengen. De schoonheid van het landschap en bijzondere ontmoetingen. Maar gedurende de tocht zakt hij steeds verder in zichzelf weg.

Ik monteerde de beelden tot één lange selfie en liet ‘m aan diverse tv-omroepen zien. Helaas, weinig enthousiasme: “te lang, te vreemd, niets voor ons.”

Eind 2018 sprak ik met Podium Oost af om mijn film daar te vertonen. Plots meldde zich echter een filmdistribiteur. Een stroomversnelling. De film kreeg de titel ‘Camino, a feature length selfie’ en werd geselecteerd voor filmfestivals in binnen- en buitenland. Daarna volgde vertoning in 35 filmtheaters met na twee weken een Kristallen Award voor het behalen van 10.000 bezoekers. De film is komend jaar zelfs te zien op National Geographic!

Ja, een wandeling die behoorlijk uit de hand is ‘gelopen’. “Ben je er door veranderd?” Nee hoor, maar ik ben wel gevoed met een bijzondere ervaring. En ik wandel vaker naar het centrum, of andere plekken in de stad. Zo heb ik, na ruim 30 jaar dat ik hier in Oost woon, onze wijk te voet opnieuw leren kennen. Gewoon een stukje lopen, heerlijk!

Martin de Vries (63) woont in Oost en is editor, filmmaker en producent. Hij was o.a. decennialang de vaste editor van Van Kooten en De Bie, samensteller en editor van het programma Villa Felderhof en medeoprichter van Tv-zender NostalgieNet. Met zijn documentaire ‘Camino, a feature length selfie’ debuteerde hij als filmmaker.

Deze column verscheen in de Oostkrant van december 2019.

Wijnand Speelman

Het ging al niet zo goed, maar nu lijken zijn laatste uren geslagen: er staat een hek om de Rode Beuk aan de Emmalaan. ‘Voor onze veiligheid’, aldus de gemeente. Een triest gezicht; de grote takken hangen naar beneden en raken nog net niet de grond. Alsof de kracht uit zijn armen langzaam wegvloeit en hij op het punt van opgeven staat.

Gaat het hier ‘slechts’ om een zieke boom aan het einde van zijn Latijn? Ik las bij een bericht op de Oostkrant Facebookpagina de reactie ‘kappen dat ding’. Maar deze boom behoort tot een van de oudste nog levende organismen in onze buurt, bijna 170 jaar oud! Daar gaat de reactie aan voorbij. Ikzelf, de reageerder en alle buurtgenoten, wij zijn in vergelijking met de Rode Beuk slechts passanten in deze wijk. De Rode Beuk was ‘ooggetuige’ van zoveel veranderingen in Oost: hij zag gebouwen komen en gaan, was getuige van menig eerste kus onder haar takken, was redder in nood voor vele dronkaards met een volle blaas …

Het dieptepunt van zijn leven vond plaats op 7 mei 1945. Terwijl de Britse en Canadese bevrijders van Utrecht door een juichende menigte het centrum inrijden, valt nabij het Rosarium voor het oog van de Rode Beuk een vrachtwagen vol Duitse soldaten stil. Als een groep mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten passeert, ontstaat een schermutseling tussen deze verzetsmannen en de Duitse soldaten. Er valt een schot, binnen enkele seconden gevolgd door een schietpartij waarbij tien verzetsmannen het leven laten. De Rode Beuk staat – zoals zo vaak in zijn bestaan – op de voorste rij bij deze duistere gebeurtenis.

Nu weet ik wel dat een boom geen ogen heeft, maar verdient de Rode Beuk door de rijke geschiedenis die ‘ons Oost’ met hem heeft, niet een andere kwalificatie dan ‘dat ding’?

Wijnand Speelman (1988) woont nabij het Wilhelminapark, is radiomaker bij 3FM en producent van de podcast-serie ‘Papa Podcast’ (voor, door en over jonge vaders).

Deze column verscheen in de Oostkrant van september 2019

Japke-d

Het liefst heb ik dat iedereen gewoon met zijn tengels van Utrecht afblijft, zo schreef ik ooit in het nawoord van de bundel ‘Utrecht, stad van zachte idioten’.  Ik schreef het toen in iets steviger bewoordingen: ‘Jongens, flikker allemaal eens een eind op uit Utrecht’.

Want ik word enorm nerveus van al die mensen die van alles willen organiseren in mijn stad. Dat ze Utrecht ‘op de kaart willen zetten’, als museumstad, als marathonstad, als stad van de vrede, als fietsstad, als culinaire stad, als stad van de literatuur. Of dat ze loopwedstrijden gaan organiseren, of kermissen, Tour de France-etappes of, erger nog, foodtruckfestivals (brrr) in mijn geliefde parken.

Hou daar eens mee op, laat Utrecht met rust!

Want daarvoor ben ik hier 18 jaar geleden niet komen wonen, ik ben hier gekomen voor mijn rust en voor de stilte. Ik ben hier gekomen omdat Utrecht geen grachtengordel heeft, geen Nutellawinkels, geen grote rode ‘You, Trecht’-letters. Utrecht heeft dat niet nodig. We hoeven hier geen architectonisch station, geen skyline, we hoeven niet op een bucketlist – laat al die Japanners lekker hun eigen Nijntje ontwerpen. Laat iedereen lekker aftaaien naar Amsterdam. Hier is niks te zien, echt niet, doorlopen mensen, wegwezen, optiefen.

We willen Utrecht gewoon lekker voor onszelf. Om te kunnen kuieren van het Oorsprongpark naar de ruisende bomen op de Maliebaan en er dan onderdoor, met op het eind ons bruggetje richting Lepelenburg. Naar de werfkelders, het Ledig Erf, de Oosterkade, waar de zon op je schijnt tot diep in de avond. Haring eten op de Nachtegaalstraat, eten bij Goesting, hier, op Utrechtse grond. Utrecht is van ons, Utrecht is van mij. Utrecht is voor de eeuwigheid.

Japke-d. Bouma (1970) woont in Oost en is columnist bij NRC. Delen van bovenstaande column verschenen eerder in haar nawoord van ‘Utrecht, stad van zachte idioten’, een bundel verhalen over Utrecht verzameld door Ronald Giphart.

Deze column verscheen in de Oostkrant van september 2018

Kees Boonman

Ooit is het ontstaan. Ik heb het wel eens laten nakijken, maar het zit diep van binnen en je krijgt het niet weg. ‘Niks aan te doen’, zeggen de specialisten. Helemaal nutteloos is het niet, want ik heb er mijn professie aan te danken en verdien er geld mee. Heel simpel komt het er op neer dat alles wat niet deugt, mis gaat, beloofd maar niet is gedaan, door mij scherp wordt waargenomen. Kortom ik ben journalist en gespecialiseerd in slecht nieuws.

Natuurlijk heb ik oog voor wat wel lukt, goed gaat en gratis wordt uitgedeeld. Maar wat goed gaat, gaat goed, daar hoeft dus niet aan te worden gesleuteld. Maar waar we allemaal last van hebben, wat ergert, soms onrecht is, moet worden benoemd en opgelost.

In verkiezingstijd vliegen de oplossingen je om de oren. Opeens wordt dat wat eerst niet kon, wél mogelijk. Mooi weer voorspellen en voor iedereen een gratis parkeerplaats? Vergeet het maar, na de gemeenteraadsverkiezingen op 21 maart regent het gewoon en betaal je je scheel aan parkeren, als je al een plekje vindt.

Mijn pleidooi is niet om te somberen, het slechte nieuws te koesteren, of het klagen te enthousiasmeren. Ik wil zelfs benadrukken dat er zeker in Utrecht heel veel goed gaat. De stad is booming. Als je een dag niet op straat bent geweest, staat er een nieuw gebouw of is een straat opeens een vaargeul met aan de kades cafés en terrassen. Amsterdam is uitgewoond, iedereen vlucht naar hier.

Soms ben ik zelfs geroerd door de inzet van ambtenaren en de gemeenteraad om de burger bij besluiten te betrekken. Hoe moet de Nachtegaalstraat straks worden? Tientallen bewoners konden meedenken, meepraten en zelfs meetekenen in de Schouwburg. En er werd geluisterd. Democratie is niet het iedereen naar de zin maken. Het is vooral iedereen serieus nemen en ruimte bieden voor het compromis. En een compromis is ook een besluit!

Klagen helpt niet, het rode potlood gebruiken op 21 maart wel. En kruis dan vooral iemand aan die niet het ongeloofwaardige verkoopt, alles prietpraat noemt en elk compromis schuwt.

Kees Boonman is politiek journalist en woont in Oudwijk.

Deze column verscheen in de Oostkrant van maart 2018.

Marja Pruis

Het leven is zoet in Utrecht-Oost, in de straat waar ik woon. Ik werk vaak aan mijn eettafel, beneden aan de straatkant, en zie mijn buurtbewoners zo’n beetje aan me voorbijtrekken. De man met de honden, de lachende man… Hoe zouden ze mij noemen? Ik maak me geen illusies.

Mijn ideale werkdag is als ik thuis blijf werken, en de dag begin met vers brood halen bij District. Het is alsof daar altijd de zon schijnt. De mensen daar hebben alle tijd van de wereld, ook zoiets. De man in het streepshirt rekent lachend af, de moeders die net hun kinderen naar school hebben gebracht drinken hier gezamenlijk een latte, en och, daar zit mijn buurvrouw, ze roept mijn naam, steekt haar hand op. Op de weg terug naar huis koop ik yoghurt bij Olijfje, en abrikozen, ik passeer het handgeschreven uithangbord van Maria’s, bij Primus staan de tafeltjes en stoelen nog steeds of alvast buiten op de stoep. Aan de overkant van het zebrapad op de hoek bevindt zich een restaurant, het is nu iets met pasta, daarvoor was het tapas, daarvoor vis, en daar weer voor Vroom.

Vroom! Ik hield van Vroom, mijn gezin hield van Vroom, we gingen er eten als we iets te vieren hadden. Ik zie degenen die ons daar bedienden weer voor me, het meisje met het korte jaren twintig-kapsel en de zorgvuldige dictie, de jongen met het pierrothoofd, de glimlach van oor tot oor. Wat ze er serveerden was niet voorspelbaar, en best wel duur, maar daarmee des te feestelijker.

Een buurt verandert als je er woont. De eerste keer dat ik de straat in fietste, omdat er een huis te koop stond dat misschien iets voor ons zou zijn, dacht ik: ja. Het was een combinatie van schoonheid en verwelkoming, soeverein en vertrouwd. De magnolia in een naburige tuin bloeide, en nog steeds als die boom in bloei staat licht mijn hart op. Een tijdje woonden er een jongen en een meisje, hij had zijn haar in een staart en zij belandde in een rolstoel. Wat weet ik van ze? Niks, en alles, zoals ik ze dagelijks voorbij zag stiefelen, met hun beide teckels, vanachter de eettafel, de zon op tafel, het geluk nabij. Gauw, pak het voor het wegvliegt.

Marja Pruis woont sinds september 1999 in de Schildersbuurt. Ze is redacteur van De Groene Amsterdammer en schrijver. Ze won de Jan Hanloprijs voor haar essays en de J.L. Heldringprijs voor haar columns.

Deze column verscheen in de Oostkrant van september 2017

Tom-Jan Meeus

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar zelf mag ik de inrichting van onze wijk graag aan anderen overlaten. Je kunt je niet overal mee bemoeien. En dan: de enkele keer dat ik zeggenschap zou willen, over de onbegrijpelijke verdwijning van een verkeerslicht of zo, blijkt de inspraakprocedure jaren geleden verlopen.

Ik heb ook amper klachten over Utrecht-Oost. Op de website van de gemeente zag ik dat optimisten hier sterk oververtegenwoordigd zijn: bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen stemde dertig procent D66, een kwart GroenLinks, 16 procent VVD. De drie partijen met de meest optimistische aanhang. Dus het zou best kunnen dat je hier genoeg mensen hebt die van de blues houden – de kans dat ze de blues hebben is nogal klein.

In de uitslagen per stembureau zag ik dat maar één buurt in Oost uitgesproken pessimistisch is. De Sterrenwijk. Daar stemde twintig procent PVV, tegen drie procent in heel Oost.

Ik was er in geen jaren geweest, dus ik dacht: laat ik er eens heen wandelen. Toen ik nog studeerde, in de vorige eeuw, woonde ik op het IBB, in de studentenflats naast de Sterrenwijk, en destijds vertelden we elkaar over stenen waarmee Sterrenwijkers ons op de fiets bekogelden. Ik ben nooit iemand tegengekomen die geraakt was, maar de dreiging illustreerde de stemming: tussen studenten en Sterrenwijkers gaapte een diepe kloof.

Het was een donderdagmorgen, en deze keer viel mij een heel andere kloof op. De wijk oogde erg normaal – praatgrage ouderen, een vader achter een kinderwagen, een vlag van FC Utrecht. De wereld van Herman Berkien. Pas toen ik de wijk uitliep, onder het viaduct richting IBB, viel me op wat ik nooit eerder zag: de mentale muur die de rest van Utrecht-Oost voor de Sterrenwijk heeft opgetrokken.

Als zij zich onze kant op wagen, passeren ze eerst die studentenflats, dan de Hogeschool voor de Kunsten, vervolgens het Stedelijk Gymnasium, met zijn aanstellerige scheefbouw. Studenten, kunstenaars en de slimste kinderen van de stad: dat Utrecht-Oost krijgt de Sterrenwijker opgediend als hij zijn wijk uitwandelt.

Ik heb geen idee hoe dit ontstaan is. Maar als ik inspraak had, zou ik zeggen: herinrichten. Wie meent een geslaagd leven te leiden, hoort minder geslaagde burgers niet bij de eerste kennismaking te overladen met zijn eigen voortreffelijkheid. Zoveel gebrek aan inlevingsvermogen is eerlijk gezegd redelijk ontluisterend voor zoveel mensen die zich zo enorm geslaagd achten.

Tom-Jan Meeus (1961) woont sinds 1999 in de Schildersbuurt met een onderbreking van 6 jaar Washington (VS). Hij is politiek columnist en won in 2015 de Anne Vondelingprijs voor zijn NRC Handelsblad rubriek ‘Haagse Invloeden’.

Deze column verscheen in de Oostkrant van juni 2017.

Jan van Zanen

Utrecht kent veel prachtige plekken om te wonen. Dus toen het ernaar uitzag dat we naar de stad zouden verhuizen, was het voor mijn echtgenote Marian en mij nog even dubben waar we wilden gaan wonen. Eerst serieus overwogen om terug te keren naar Oog in Al waar onze kinderen zijn opgegroeid. Terwijl ik alvast in Rivierenwijk neerstreek, aan het begin van de Jutphaseweg, bleef Marian nog even in Amstelveen. Uiteindelijk is het Oost geworden, waar we in april dit jaar een aardige tussenwoning vonden in Rijnsweerd.

In sommige opzichten een feest van herkenning, want ook hier vertrouwde grond onder onze voeten. In onze studententijd woonden wij in een bovenwoning aan de Jan van Scorelstraat, schuin boven Anneke Kapteyn. Veel vrienden van ons woonden na
hun studententijd aan de Albert van Dalsumlaan, waar wij dus ook nogal eens kwamen.

Later was ik jarenlang wijkwethouder voor Oost en Noordoost en als wethouder openbare werken (toen stadsbeheer en reinigingsdienst) nauw betrokken bij het wel en wee van het Wilhelminapark, het Griftpark, Bloeyendael en de Zilveren schaats. En op Koninginnedag was een bezoek aan de Oranjevereniging in Rijnsweerd op het plein bij de school altijd een genoegen.

Ik koester mooie herinneringen aan deze wijk. Zo leuk om die plekken nu weer terug te zien en te beseffen wat daar intussen allemaal is gebeurd. Een relatief groene en sportieve wijk ook met de landgoederen en de uithof (nu Utrecht Science Park) om de hoek. Kampong, Galgenwaard en het voor mij heel belangrijke zwembad de Krommerijn. Waar ik ook woon, ik wil er kunnen zwemmen. Trek nu, als de agenda het toelaat, ‘s ochtends vroeg m’n baantjes in het zwembad. Een vijftigmeterbad, met zomers het dak open. Geweldig!

Goed om terug te zijn in Utrecht. We voelen ons alweer een beetje thuis. ook al kennis gemaakt met een aantal buren en wijkgenoten. Vanuit onze nieuwe stek in oost fiets ik naar het werk en doe boodschappen op de Adriaen van Ostadelaan, de Burgemeester Reigerstraat en de Nachtegaalstraat. De eerste (zomer)maanden in Oost zijn ons uitstekend bevallen.

Jan Van Zanen is sinds 2014 burgemeester van Utrecht. Eerder was hij raadslid (1990-2002) en wethouder (1998-2005) In de domstad. Daarna acht jaar lang burgemeester van Amstelveen. Hij woont in Rijnsweerd.

Deze column verscheen in de Oostkrant van september 2015.

Ingmar Heytze

Utrecht Oost, je zult er maar geboren zijn, zoals ik. Ik ben weliswaar opgegroeid in Tuindorp, maar ik kwam ter wereld in de Emmakliniek aan het Wilhelminapark. Het zou meer dan veertig jaar duren voordat ik welvarend genoeg zou zijn om terug te keren naar Oost, en dan moet je de begrippen ‘welvaart’ en ‘Oost’ nog enigszins oprekken. Ik weet niet eens of het arbeidershuisje waar ik tegenwoordig met vrouw en kind woon officieel nog wel tot Oost gerekend mag worden. Het ligt aan de goede kant van de spoorlijn, dat wel. Laten we het er op houden dat ik dichter bij Maarten van Rossum woon dan bij de Douwe Egberts-fabrieken.

In Utrecht is het makkelijk. Waar je ook vandaan komt, in principe ben je onderweg naar Oost. Nagenoeg elke Utrechter die het een beetje voor de wind gaat, woont in Oost, hééft er gewoond of is van plan er te gaan wonen. Hoe geslaagder in het leven, des te verder je naar het Oosten opschuift, tot je ergens bij Amelisweerd van de kaart van Utrecht valt.

Dit voorjaar leefde ik gebogen over het manuscript voor de dikste dichtbundel die ik ooit heb uitgebracht: Utrecht voor beginners en gevorderden, een vermeerderde uitgave van alle Utrechtse gedichten die tot nu toe in druk zijn verschenen, aangevuld met een aantal nieuwe gedichten. Mijn Utrechtse gedichten hebben met elkaar gemeen dat ze allemaal zijn geschreven in opdracht. Uit mezelf schrijf ik niet graag over mijn stad, hoeveel ik ook van Utrecht houd. In opdracht gaat het veel beter. Waarom weet ik eigenlijk niet. Ik wist, tot voor kort, niet eens waarom ik eigenlijk nog altijd in Utrecht woon – totdat een interviewer me onlangs de juiste vraag stelde.

We stonden ergens bij een muur waar iemand een gedicht van me heeft aangebracht.
De interviewer verzocht me om dat gedicht voor te lezen. Daarna vroeg hij: ‘Hoe weet je eigenlijk dat je hier in Utrecht moet wonen, en niet ergens anders?’

Nu heb ik me dat vaak afgevraagd, meestal in een sombere bui, en zonder duidelijk antwoord. Weet ik veel, dacht ik, misschien wordt het wel tijd dat ik hier eindelijk eens opkras en een andere stad ga vervelen met die gedichten van me. Maar de zon brak door, scheen op mijn gezicht en op de muur met het gedicht. Het Utrechtse licht scheen recht mijn kop in en opeens wist ik waarom ik hier thuis hoor, in het bijzonder in wat ik maar Groot Utrecht Oost zal noemen. Omdat er in elk leven, en met elke liefde die werkelijk goed zit, een moment komt dat je beseft dat je je niet meer hoeft af te vragen waarom je ergens woont, en waarom je uitgerekend bij die ene persoon bent.

Dat is het moment waarop je inziet dat alles op een dag in elkaar stort, dat iedereen bij iedereen weg kan, en vaak ook gaat, maar dat dat niets meer verandert aan wie je bent. Opeens besefte ik: ik zal altijd bij de moeder van mijn kind horen, ook al zou ze me morgen verlaten voor iemand die wél een villa aan de Emmalaan kan betalen. En ik zal altijd een Utrechter zijn, in voor- en tegenspoed, of ik nu volgend jaar verhuis naar New York of pas over een halve eeuw ons huisje uit wordt gedragen. Die vrouw, dit kind, deze stad – ik kan ze nooit meer werkelijk verlaten, want niemand krijgt ze meer uit mijn hart.

Ingmar Heytze was Van 2009 tot 2011 de eerste officiële Utrechtse stadsdichter. Hij maakte deel uit van de Utrecht Maffia, een groep schrijvers die midden jaren 90 met regelmaat In Café de Bastaard te vinden was. Hij woont in Watervogelbuurt.

Deze column verscheen in de Oostkrant van maart 2015.