Categoriearchief: columns

Mireille Versteeg

Over de rand van mijn laptop valt mijn oog op een man en een vrouw die twee tafeltjes verderop zitten. Ik schat ze begin dertig. Ze vinden elkaar zichtbaar leuk en het is iets in haar schuchtere lach en zijn nerveuze gefriemel aan een bierviltje dat me doet vermoeden dat ze elkaar nog niet zo lang kennen. Is het hun eerste date? Misschien hun tweede? Mijn fantasie gaat met me op de loop en binnen een paar minuten heb ik een heel verhaal om ze heen bedacht.

Ik ben in Buurten aan de Burgemeester Reigerstraat, mijn favoriete werkplek als ik genoeg heb van het schrijven aan de eettafel thuis. Als ik mensen wil zien en inspiratie wil opdoen. En voor een auteur van romantische fictie valt er genoeg te zien. Tenminste als je alles door een roze bril bekijkt. En dat doe ik. Ik ben altijd alert op potentieel romantische situaties – een flard van een gesprek, het wisselen van een blik – om te kunnen gebruiken in een van mijn verhalen.

Zelfs toen ik laatst met mijn fiets op een redelijk gênante manier ten val kwam op het drukke kruispunt bij de Stadsschouwburg bleef ik positief. Natuurlijk baalde ik van de vlekken op mijn rok en de schaafwond op mijn knie, maar ik bedacht me ook: hoe romantisch zou het zijn als mijn hoofdpersonage dit overkomt en een knappe voorbijganger haar omhoog helpt (in plaats van de goedwillende bejaarde meneer die mij te hulp was geschoten)? Alles kan het begin zijn van een nieuwe romance!

Mireille Versteeg (1975) is auteur en artiestenmanager. Voor haar debuutroman ‘Binnen de lijntjes’ gebruikte ze haar eigen buurtje Oudwijk als decor.

Deze column verscheen in de krant van december 2023.

Jim Terlingen

Onze stad kent de laatste jaren een bijzondere ontwikkeling als het gaat om de verwerking van een van de gruwelijkste gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog: de Jodenvervolging. De plaatsing van het Joods Monument op het plein voor het Spoorwegmuseum, in 2015, lijkt daarvan het startsein. Daarmee werden na 70 jaar in het openbaar de namen zichtbaar van de meer dan 1.200 vermoorde joodse Utrechters.

In datzelfde jaar vond de eerste editie plaats van Open Joodse Huizen in Utrecht. Ook in huizen in Oost werden toen verhalen verteld over de voormalige joodse bewoners. Het zijn elk jaar (in mei) intieme bijeenkomsten waar je beter leert begrijpen welk effect de holocaust had op de levens van mensen. En niet zelden vertelt een ouder iemand uit het publiek spontaan een bijzondere herinnering. Na zo’n bijeenkomst is het uitgesloten dat je zo’n huis nog gedachteloos passeert.

Dat is ook zo als je voor een huis een struikelsteen ziet liggen. Daarop staat de naam van iemand die er in de oorlog woonde en die vanwege zijn of haar joodse achtergrond is vervolgd. Tot 2017 lagen er in de stad 13 struikelstenen, inmiddels staat de teller op 170, waarvan 30 in onze wijk. De plaatsingen, waaraan de gemeente volop medewerking verleent, zijn verbindende momenten: jong en oud staan stil bij wat mede-Utrechters destijds is overkomen.

Dit pijnlijke verleden hadden we lange tijd verdrongen uit ons collectieve bewustzijn. Maar het komt weer naar boven. Het is goed dat een plek te geven. En voor joodse nazaten die nog steeds in onze stad wonen biedt het troost.

Jim Terlingen (Utrecht, 1965) is journalist, historisch-onderzoeker en postbode. Hij woont in Abstede.

Deze column verscheen in de krant van september 2023.
[i] Meer informatie over struikelstenen in Oost op www.oostkrant.com

Cees Grimbergen

Verre familie

Laatst voer ik langs Weerdsingel O.Z. 64. Het huis waar mijn moeder in de jaren dertig logeert. Bij haar zeventien jaar oudere nicht Dora van Seumeren, geboren 1900. Het Weerdsingel-huis staat voor een familiegeschiedenis, waarin ook de Zadelstraat, Gansstraat en Utrecht-Oost een rol spelen. Het is het verhaal van twee broers. Een van hen is mijn opa Bart.

Terug naar 1899. In het dorp Westervoort besluiten Marinus (27) en Bart (23) Wolters dat hun toekomst elders ligt. Emigreren! Niet naar Amerika. Naar Utrecht. De stad die industrialiseert, die groeit. De broers gaan aan de slag. Bart wordt schoenmaker in de Zadelstraat. Marinus koopt grond in Utrecht-Oost en wordt succesvol aannemer. Vanaf 1905 produceert hij asfalt. Oudwijk, Abstederdijk en de rest van Oost worden gebouwd. Handjes, ideeën en productiekracht zijn nodig. De Vinex van begin 20e eeuw.

Broer Bart redt het niet. Hij keert terug naar Westervoort. Aan zijn Utrechtse mislukking heb ik mijn leven te danken. In 1913 ontmoet hij er mijn oma. In 1917 wordt mijn moeder geboren. De kost verdient opa Bart daarna als dorpskapper, pontbaas op de IJssel en warmoezenier (groentekweker).

Voor mijn moeder is haar oudere Utrechtse nicht Dora rolmodel. Dora is de dochter van de succesvolle Marinus. Dora trouwt met een Van Seumeren, krijgt veertien kinderen. Ze wordt prominent deel van de katholieke Utrechtse geschiedenis. Dora is de oma van Frans – FC Utrecht – van Seumeren. Sinds ik dit stukje familiegeschiedenis terughaalde, fiets ik anders door Oudwijk en over de Gansstraat waar Marinus woonde en asfalt maakte.

Een van de vele kleinzonen van bonmama Dora is dus Frans, icoon van ondernemend Utrecht, grootaandeelhouder van onze FC. Ik, op mijn beurt, ben nog steeds een journalistiek krabbelaar. Zal ik eens een bakkie koffie doen met dit verre familielid?

Cees Grimbergen (Den Haag, 1951) is journalist, o.a. bij Omroep MAX, en woont (weer) in Utrecht-Oost

Deze column verscheen in de krant van juni 2023.

Sofie van den Enk

Het helder frisse geluid van de merel brengt me altijd terug naar die sliert van opwinding die ik als kind al voelde. Het vroege voorjaar kondigt aan: zo koud zal het niet blijven, had je die knoppen nog niet opgemerkt, het bovenste knoopje van de jas al los? 

Een jaar geleden, toen die sliert zich weer aandiende, hing er gelijk ook een grauwsluier overheen. Die hoort daar niet, maar was een gevolg van de diagnose bij mijn vader, aan het begin van het nieuwe jaar. Het zou zijn laatste lente zijn. Er kwam zelfs nog een zomer, en toen het nest van de merel allang uitgevlogen was en de blaadjes uit de verse knoppen van een paar maanden daarvoor al begonnen te vallen, blies hij zijn laatste adem uit. In de winter zaten we binnen, kaarsjes aan, in ons holletje. We likten onze wonden en sliepen veel.

Nu ontluikt het leven weer. We moeten dus naar buiten, zeggen, “o, lekker, kijk, de zon”. Mijn vader zou de fiets gepakt hebben, of wandelen in dat bizarre tempo, en bij het schoolplein staan. Met pet, want de r is in de maand. Zolang je niet weet dat je een alvleesklier hebt, is er eigenlijk niks aan de hand. Ik noem rouw omgekeerde kraamtijd. Maanden wachten op een nieuw iemand die erbij komt, kunnen je niet voorbereiden op hoe het zal zijn als die er is. Zo echt, zo tastbaar. Met behoeftes en geluiden en een al heel snel onmisbare aanwezigheid. Tijdens al dat wachten is het weten dat er iemand op komst is toch volslagen onvoorstelbaar.

Met eenzelfde schok van onvoorstelbaarheid komt het wegvallen van een mens. Ook al weet je het. Iedere dag was het weten bij me, iedere gebeurtenis had de tragiek van nu-nog-wel. Maar het nu-niet-meer, dat is ingezet met die laatste ademtocht, echoot door in een oneffen bewustzijn; dan weer een rustig weten, dan weer een intuïtief grijpen naar de telefoon om even te vertellen over… O nee. Niet meer tastbaar, niet meer met behoeftes, niet meer met geluid. Nou ja, die merel dan toch. 

Sofie van den Enk is tv/radio presentator en professioneel dagvoorzitter.

Deze column verscheen in de krant van maart 2023.

Kees Jongkind

Op 29 september was ik uitgenodigd voor een verjaardagsfeestje in de buurt. Een bijzondere bijeenkomst, want de jarige had de respectabele leeftijd van 120 jaar bereikt! De gesprekken gingen natuurlijk vooral over vroeger. Centraal in alle verhalen stonden de sportieve prestaties van het feestvarken. De aanwezige Paul Litjens, een hockeyfenomeen, vertelde uit eigen ervaring over prachtige successen. Net als veelvoudig cricket-international Floris Jansen, die achter de bar stond.

Jansen schotelde het gezelschap halverwege het feest een uitgebreide Indische rijsttafel voor. Een toepasselijk gerecht, want de jubilaris is in 1902 geboren in de Utrechtse Zeeheldenbuurt waar destijds veel vanuit Nederlands-Indië terugkerende families gingen wonen. De jongelui uit de buurt voetbalden en speelden cricket op een driehoekig grasveld tussen de huizen. Het voelde als een klein dorp.

Pas op latere leeftijd omarmde de jarige job naast voetbal en cricket ook andere sporten, te beginnen met hockey. Met veel succes. En eenmaal verhuisd naar de Maarschalkerweerd was er zoveel ruimte in en rond het nieuwe huis, dat er ook jeu de boules- en tennisbanen werden aangelegd, en squashbanen in de kelder.

De tuin, noem het een sportpark, is voor iedereen toegankelijk, ongeacht geslacht, leeftijd, afkomst of religie. Zo’n zesduizend sporters, vooral uit Oost, maken er geregeld gebruik van. Dat wordt een enorm feest als in 2027 de 125-ste geboortedag wordt gevierd. Een mijlpaal die ongetwijfeld wordt bereikt, want de krasse knar heeft nog altijd een sterk (blauw) hart. Lang leve Kampong!

Kees Jongkind (53) is sinds 1990 verslaggever bij NOS Studio Sport en Andere Tijden Sport.

Deze column verscheen in de Oostkrant van december 2022.

Jeroen Kreule

Wanneer ik met mijn dochters door de Albert Heijn aan de Burgemeester Reigerstraat loop en vraag welke groente ze willen eten, hoeven ze meestal niet lang na te denken: spinazie!

Niet de verse, maar de à la crème variant. Liefst die van Iglo, in hun ogen de lekkerste. Wanneer ik in mijn keuken aan de Homeruslaan bevroren blokjes in een pan gooi, denk ik altijd even aan de tuinders die tot begin vorige eeuw op een steenworp afstand van mijn huis gevestigd waren. Door de vruchtbare gronden langs de Minstroom – ook wel de Parel van Utrecht Oost genoemd – was Abstede vanaf de Middeleeuwen een belangrijk hoveniersgebied.

Nu nauwelijks meer voor te stellen, maar het gebied telde bijna 200 hoveniers. Hun specialiteit? Rode kool en … spinazie. Harde winterspinazie, om precies te zijn. Daar kwam ik enkele jaren geleden achter tijdens het schrijven van een krantenartikel over de geschiedenis van de Minstroom. De groenten werden op de markt en aan de deur verkocht. Veel hoveniers beschikten daarvoor over een honden- of paardenkar. In het gebied zit anno 2022 geen enkele tuinder meer, maar wie nu over de Abstederdijk, Zonstraat of Notenbomenlaan loopt, komt nog enkele oude hovenierswoningen tegen.

De Minstroom stroomt nog altijd en spinazie is in Oost nog steeds te koop. Duitse spinazie, aldus Iglo. Toeristen kunnen in de zomermaanden zelfs met een mini-trein langs de spinazievelden in Münsterland tuffen. Een wandeling langs de Minstroom is vermoedelijk minstens zo leuk.

Jeroen Kreule (1972) is freelance journalist en schrijft onder meer voor het AD Utrechts Nieuwsblad wekelijks de historische rubriek ‘Utrecht in…’ over het verleden van de stad.   

Deze column verscheen in de Oostkrant van september 2022.

Jessica van Geel

‘Kennis bestaat uit woorden, en maar zelden uit ervaring’. Ik stond voor haar oude woonhuis aan de Prins Hendriklaan 48 toen de zin me te binnen schoot. Een journalist wilde me wat vragen stellen over mijn boek over Truus van Lier, ik was te vroeg, en voor het eerst sinds lange tijd tuurde ik weer eens naar de gevel van het huis waarin ze opgroeide, de jonge verzetsvrouw die op 22-jarige leeftijd in Sachsenhausen werd gefusilleerd. Haar oude huis is nu het ticketoffice van het naastgelegen Rietveld Schröderhuis. Een gewoon huis, naast werelderfgoed.

Hier achter deze ramen, dacht ik, heeft Truus verzetsvergaderingen gehouden. Vóór de oorlog stond ze op dit balkon te zwaaien wanneer de militairen uit de kazerne er tegenover op Koninginnedag langs marcheerden. En haar moeder;  waar in dit huis las ze de brief dat haar dochter gevangen zat als ‘moordenares van politiepresident Kerlen’, een felle NSB’er?

Dit huis zat vol verhalen.

‘Kennis bestaat uit woorden, en maar zelden uit ervaring’. Het is een zin van NRC-journalist Marjoleine de Vos. De meeste kennis die we in ons leven opdoen, legt ze in haar boek Doe je best uit, hebben we niet zélf meegemaakt, maar komt tot ons via verhalen. Via historische verhalen, historische feiten. Maar ook zoiets actueels als de oorlog in Oekraïne heb ik niet zelf gezien. Ik heb het gelezen in de kranten, gehoord van getuigen op televisie.

De bakstenen van dit ‘gewone huis’ aan de Prins Hendriklaan zijn voor mij gaan leven, bedacht ik toen ik de journalist zag komen aanlopen, omdat ik – voor zover mogelijk dan – de verhalen ken die erachter schuil gaan. Truus zag, jij ziet, wat ik niet zie. Laten we elkaar verhalen vertellen.

Deze column verscheen in de Oostkrant van juni 2022.

Ronald Giphart

Sommige dingen veranderen niet. Mijn vader, huisvestingsambtenaar te Dordrecht, was erg geïnteresseerd in architectuur. Tijdens wandelingen leerde hij mij naar boven te kijken, als hij mij wees op versieringen, baksteenformaties, ornamenten en andere kenmerken waaraan je de leeftijd van een woning kunt aflezen. Regelmatig discussieerden we over de vraag of een bepaald huis bijvoorbeeld uit 1880 of 1905 stamde.

Toen ik net studeerde maakten mijn vader en ik lange ontdekkingstochten door Utrecht, onder andere in de buurt van het Rietveld Schröderhuis in de Prins Hendriklaan en aanpalende wijken. Ook hier vergaapten we ons aan gevels, decoraties, stijlen en architectonische hoogstandjes. Eind negentiende eeuw. Jugendstil.  Wederopbouw-huizen. De benepen sociale woningbouw van de jaren zestig en zeventig.

Jaren later heb ik ook met mijn eigen kinderen veel door de stad gestruind, waarbij ik hen probeerde te leren wat mijn vader mij had bijgebracht. Zo troonde ik tijdens coronatijd mijn jongste zoon regelmatig mee de stad in, waarbij we meestal de loop van de Minstroom volgden, het onooglijke slootje tussen de Biltse Grift in het Oorsprongpark en de Singel ter hoogte van de Abstederbrug.

Ook mijn zoon bleek een meester in het raden van de leeftijd van gebouwen. Althans, dat dacht ik. Toen hij met veel stelligheid over een huis zei dat het typisch een woning was van rond 1902, zei ik dat zijn opa trots geweest zou zijn. Minzaam glimlachend liet mijn zoon mij zijn mobiele telefoon zien, waarmee hij razendsnel het exacte bouwjaar had achterhaald. Sommige dingen veranderen wel degelijk.

Ronald Giphart (1965) won in 2004 voor zijn oeuvre de C.C.S. Croneprijs, de tweejaarlijkse literatuurprijs van de stad Utrecht. Zijn laatste roman Nachtangst verscheen in november 2021 bij uitgeverij De Bezige Bij.

Deze column verscheen in de Oostkrant van maart 2022

Eric Roeske

Vanuit mijn uitvalsbasis de Krommerijnwijk fiets ik al tweeënhalf jaar op mijn mountainbike door de regio op zoek naar nieuws voor de Utrecht-editie van de Telegraaf. Pakweg 15 tot 20 artikelen schrijf ik per week, gelukkig gebeurt er genoeg in en rondom de stad!

Ik woon meer dan 40 jaar in mijn stadsie, maar mijn baan als stukjesschrijver is dé manier om de stad nog beter te leren kennen. Uiteraard volg ik alle lokale politieke besluiten, en verwonder ik me vaak over de ingrijpende gevolgen.

Een paar voorbeelden in Oost: de Oudwijkerdwarsstraat is onlangs opgeknapt, maar wat blijkt: het is een racebaan geworden! De middenbaan van de Maliebaan wordt fietspad, terwijl de duizenden fietsers juist haaks daarop van het centrum naar het Science Park rijden. De beeldbepalende school aan de Rubenslaan staat al dertien jaar leeg, verpaupert de buurt, dus … slopen maar! En het toppunt is het voormalige spoorhuisje van Aline aan de Zonstraat. Ze had het opgeknapt en voorzien van zonnepanelen op het dak. Een of andere wijsneus bij de gemeente bedacht dat de bewoonster, die haar vervallen huisje juist netjes en leefbaar wilde maken, niet conform de regels had geopereerd. Alles zou eraf moeten, verf én panelen …

Ik heb gemerkt dat je als journalist veel leed dat een logge ambtenarenorganisatie kan aanrichten in een buurt, kunt helpen voorkomen of verzachten. Dat vind ik een voorrecht. Daarnaast biedt mijn baan ook een prachtige gelegenheid om juist enthousiast te schrijven over al het moois dat Utrecht te bied en heeft. En dat is veel, ook rondom de stad! 

Sociaal geograaf en planoloog Eric Roeske is journalist voor de Utrecht-editie van de Telegraaf en sportverslaggever voor diverse (atletiek)media. Eerder was hij o.a. perschef bij de Atletiekunie en FC Utrecht. In 1996 werd hij op de NK Indoor Atletiek nationaal kampioen 400 meter.

Deze column verscheen in de Oostkrant van december 2021

Arend Hosman

Nu die langverwachte zomer op zijn eind loopt denk ik aan de winter, en aan de winters van toen. In de jaren zeventig en tachtig groeide ik op aan de Stadhouderslaan. Geen winter ging voorbij zonder dat er geschaatst werd in het Wilhelminapark. Als ‘puber on ice’ wilde je laten zien dat je ook op ijzers een hele vent was. Maar uiteindelijk kon er maar één iemand echt schaatsen en dat was meneer Van de Ven, eigenaar van de buurtsuper in de Dillenburgstraat.

Er waren vier winkels in dat kleine straatje. Een groenteboer, gerund door een oudere vrouw in bloemetjesjurk en haar bebaarde zoon, een mopperende sigarenboer, een bakker waar twee vriendelijke dames je brood sneden, en natuurlijk buurtsuper Van de Ven. Mevrouw Van de Ven deed kaas en vlees, meneer Van de Ven bestierde de kassa.

Zodra je in het park kon schaatsen, offerde Meneer van de Ven er graag zijn lunchpauze aan op. Dat schaatsen deed hij niet voor de lol. Hij trok niet op noren lange banen door het park, evenmin fladderde hij doelloos als een kind over het ijs. Nee, Van de Ven reed altijd een perfecte acht. Steevast begon hij op hetzelfde punt. Op zijn linkerbeen reed hij de onderste cirkel, op zijn rechter de bovenste. En dat een halfuur lang, waarna hij zijn schaatsen uittrok om terug te keren naar de kassa.

Toegegeven, de kans op ijs wordt alsmaar kleiner. Maar als het zo ver is, dan zal ik het proberen. Dan ga ik voor de perfecte acht.

Arend Hosman is uitgeefdirecteur van Alfabet Uitgevers in Amsterdam en woont in de Oudwijkerlaan (Oudwijk-Noord).

Deze column verscheen in de Oostkrant van maart 2021